Vertaaldag  Archief

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

Over Terras, vertalers en andere utopisten

Jeske van der Velden

Natuurlijk was er in Filter ‘Paradijzen en woestijnen’ (nr 21:2) al veel te lezen over vertalen en utopie. Maar het verschijnen van een ander bijzonder tijdschrift, Terras #07 ‘Nieuw land’, geeft genoeg reden om nog eens op het onderwerp terug te komen.

De dag voor de presentatie van ‘Nieuw land’ sta ik in de studio van Erik Lindner, redacteur van Terras, dichter, auteur en mijn stagebegeleider. In mijn handen heb ik één van de eerste exemplaren van het tijdschrift waaraan ik hier – in deze studio – onder begeleiding van de redactieleden bijna een half jaar heb meegewerkt. Het is zwaar, eerder een boek dan een tijdschrift, tweehonderdtweeënvijftig bladzijdes utopische en dystopische wereldliteratuur, waaronder exclusieve vertalingen van de hand van onder meer Lisa Thunnissen, Anne Roetman, Rokus Hofstede, Ton Naaijkens, Han van der Vegt, Mari Alföldy en Roel Schuyt. Het is heel bijzonder om tussen de namen van zo veel getalenteerde vertalers ook die van mezelf te zien staan: ik vertaalde een essay van Charl-Pierre Naudé en vijf gedichten van Lawrence Ferlinghetti.

Waar ligt de utopie van de vertaler? Dit heb ik me de afgelopen zes maanden vaak afgevraagd. In de perfecte vertaling misschien? Of in het werkelijke eindproduct, het strak roodzwart vormgegeven tijdschrift dat ik nu in mijn handen houd? Of in het geluk dat je beleeft als je opgaat in het vertaalproces – het twijfelen, het puzzelen, het leren spreken van de taal van de tekst met al zijn eigenaardigheden? Misschien, nou ja, waarschijnlijk is de utopie voor vertalers wel even ongrijpbaar als voor alle andere mensen.

14.50_cover _nieuw _land

Toen ik afgelopen zomer begon aan mijn vertalingen van Ferlinghetti voor Terras, was ik niet in Nederland maar in Sarajevo, om een taalcursus te volgen in een poging de Bosnische familie van mijn vriend beter te leren kennen. Nu is Sarajevo misschien niet een plaats waarbij de meeste mensen meteen aan een utopie zullen denken. Deze voormalig Turkse, Oostenrijkse en communistische stad, deze mottige, historische stad, waarin nog genoeg sporen te vinden zijn van de afgelopen oorlog, wordt sinds een paar jaar in rap tempo volgebouwd met torens van glas en beton, de symbolen van een nieuwe wereldorde. Deze kapitalistische wildgroei kan echter niet verhullen dat de toekomst van gewone Bosniërs bedreigd wordt door corrupte politici, werkloosheid en etnische spanningen die echte vooruitgang nog steeds in de weg staan. Dit is een samenleving waarin voor utopie weinig plaats lijkt te zijn, om nog maar te zwijgen van cultuur en literatuur.

Voor sommige Bosniërs – vooral de oudere generatie – is de utopie iets dat in het verleden ligt, de tijd van een verenigd Joegoslavië, met als hoogtepunt de Olympische Winterspelen in Sarajevo in 1984. Zoals de inleiding van Terras #07 aangeeft: ‘de gedroomde wereld van gisteren verandert maar al te gemakkelijk in een braakliggend heden’. Toch vind ik hier tijdens mijn korte verblijf ook een soort tijdelijke utopie, de utopie van een beginnend vertaler met een – voor Nederlandse begrippen – lege bankrekening. Ik kan hier naar hartenlust vertalen, want goed eten en goede koffie is er in overvloed, en het is bovendien goed betaalbaar.

Het is elke ochtend een kwartiertje lopen van de flat naar de universiteitscampus van Sarajevo, waar ik mijn taallessen heb. Onderweg passeer ik een rijtje winkels en koop sigaretten (één euro tachtig) en vers brood (vijftig cent). Dan langs een rij hoge grijze flats en via een loopbruggetje de rivier over. Als het geregend heeft is het water troebel, anders glashelder. Eenmaal aan de overkant neem ik een sluiproute die uitkomt achter het Historisch Museum, een sober, laag gebouw waaromheen het onkruid hoog is opgeschoten. Ernaast torent een gloednieuw, glanzend winkelcentrum. Ik loop tussen de gebouwen door en kom uit op de Ulica Zmaja od Bosne. Aan de overkant van de straat ligt de campus, een verzameling pokdalige betonnen blokken. Het gazon voor het gebouw rechts wordt nog steeds bewaakt door Tito. Hij draagt een militair uniform en kijkt ernstig maar vastberaden neer op de paardenbloemen. Zijn lange bronzen jas wappert in een denkbeeldige wind.

In het studentenradiogebouw op de campus hebben de mensen het overigens te druk om zich met Joegoslaviënostalgie bezig te houden, in weerwil van maarschalk Tito. Hier heeft een klein groepje jonge taalkundigen en literatuurwetenschappers de taak op zich genomen om een eveneens klein groepje onwetende buitenlanders zoals ik de grondbeginselen van het Servo-Kroatisch te leren en ons ook nog het nodige bij te brengen over de Bosnische cultuur. In de twee weken dat ik hier les heb vormt zich langzaam maar zeker een hechte internationale microgemeenschap, misschien wel deels door gemeenschappelijke tegenslagen zoals het af en toe uitvallen van het water, en dus ook van de koffieautomaat. Ik vraag de docenten naar goede Bosnische dichters (het liefst nog onvertaald) en zij vragen mij en de andere leerlingen het hemd van het lijf over vreemde Nederlandse, Duitse, Engelse, Poolse en Finse scheldwoorden. Na twee weken hebben we samen een behoorlijk arsenaal opgebouwd.

Hier, in de middagen na afloop van de lessen, verdiep ik mij bovendien voor het eerst in het Amerika van Lawrence Ferlinghetti. ‘Een kusbestendige wereld van plastic toiletbrillen tampax en taxi’s/gedrogeerde etalagecowboys en las vegas-maagden/verstoten indianen en filmverslaafde moeders/onromeinse senatoren en principiële dienstzoekers’ vertaal ik op een grijze dinsdagmiddag terwijl ik buiten op het balkon aan de achterkant van het gebouw zit, waar ik me rond deze tijd meestal verschans met mijn laptop en indien mogelijk een kopje koffie. Hier kijk ik ook letterlijk uit op een stukje Amerika – de achterkant van de Amerikaanse ambassade naast de campus, een bolwerk van de democratie met metersdikke betonnen muren en prikkeldraad.

Utopisten heb je in allerlei soorten en maten. De utopie van Ferlinghetti is in de perfecte socialistische staat evenmin te vinden als in het Amerika van de jaren vijftig waarover zijn gedichten gaan. Hij is een utopist van de geest, een woordknutselaar die door middel van intertekstuele grapjes, alliteratie en venijnig woordspel de spot drijft met de tirannie van het aardse paradijs. Het vertalen valt allerminst makkelijk, maar juist dat maakt het de moeite waard. Als vertaler moet je ook een beetje masochistisch zijn, denk ik. Al snel ga ik zo op in de woordspelletjes van Ferlinghetti dat ik niet eens gemerkt heb dat het in mijn wereld is gaan regenen, en dat de drie zwerfhonden die hun intrek hebben genomen op de campus beschutting hebben gezocht op het balkon van het radiogebouw en nu vredig naast mij liggen te slapen.

Eenmaal terug in Nederland zal ik weer even moeten wennen, voornamelijk aan de prijs van koffie, eten en sigaretten, maar ook aan de vanzelfsprekendheid van ‘cultuur’, van nationale musea die gewoon open zijn, van bibliotheken vol boeken, en zelfs – al zijn deze de laatste jaren misschien niet zo vanzelfsprekend meer – van subsidies. Toch zie ik een verwantschap tussen de docenten van het Udruženje Lingvisti en de redactie van Terras. Ze hebben een gezamenlijke missie en delen een idee van cultuur en literatuur dat grenzen overstijgt, een internationale kruisbestuiving waarvoor ze zich met hart en ziel inzetten.

Of ik mijn utopie gevonden heb op de campus in Sarajevo, in het surrealistische landschap van Ferlinghetti’s poëzie, of hier in Amsterdam in de studio, het kloppend hart van Terras waar zo hard gewerkt is aan ‘Nieuw land’? Ik weet het niet, al word ik op al deze plaatsen regelmatig overvallen door een intens geluksgevoel – vanwege het vertalen, vanwege de mensen en alles wat ik van ze heb geleerd.

Misschien is vertalen altijd wel worstelen met utopieën, die van jezelf en die van anderen. Maar hoe somber je het resultaat van dat geworstel soms als vertaler ook inziet, het lukt toch telkens weer, zoals ook het prachtige zevende nummer van Terras, dat nu voor me ligt, bewijst. Niet alleen de auteurs en redacteurs, maar ook de vele getalenteerde vertalers die aan ‘Nieuw land’ hebben meegewerkt bonden voor andermans leesplezier de strijd aan met hun utopieën. Het resultaat is de moeite zeker waard.

14.50 Nationaal Museum Sarajevo