Vertaaldag  Archief

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Geloofd, geprezen en vertaald

Bij de dood van Philip Roth (1933-2018)

Cees Koster

Na de dood de getuigenis. Na het overlijden van Philip Roth vorige week buitelden de necrologieën, herinneringen en getuigenissen in openbare en sociale media over elkaar heen, nationaal en internationaal. Zo goed als iedereen bleek persoonlijk geraakt en wilde getuigen van de bewondering voor de schrijver en zijn werk en de speciale particuliere betekenis ervan. Ik schaar mij graag onder dat koor van stemmen (een koor dat nu eens vooral uit mannen bestaat en slechts een paar vrouwen – al was een van de mooiste stukken die ik las de korte, krachtige testimonial van Jessica Durlacher in de Volkskrant van 24 mei). Roth is zo’n schrijver die, bij de juiste ontvankelijkheid uiteraard, onder je huid gaat zitten, iemand wiens werk zeer herleesbaar is, zo rijk en gelaagd is het – binnen anderhalve bladzijde weet je je meegezogen in de wereld die zich als onontkoombaar voor je ontvouwt. Ik heb veel van zijn werk gelezen als het verhaal over wat het betekent om zoon te zijn – misschien niet het meest nadrukkelijke thema in zijn werk, maar wel een belangrijk gegeven, dat zich bij uitbreiding laat omschrijven als de plaats van het sociale en emotionele verband van gezin en familie in het leven van een mens.

Als een soort nakomertje in de stroom van aandacht publiceerde NRC deze week een ingezonden brief waarin gewezen werd op het totale gebrek aan aandacht voor de vertalers van Roth in alle publiciteit. Afzender was Dirk Kooman, broer van vertaler Koo Kooman die een zestal vertalingen van Roth op zijn naam heeft staan, waaronder het alom geloofde Alleman en Het complot tegen Amerika, na Portnoy’s klacht (vertaling Else Hoog) het best verkochte boek van Roth in Nederland. (Koo Kooman kreeg dan weer wel een uitnodiging van het radioprogramma De Taalstaat om over zijn ervaringen te spreken.)

Aan de ene kant is de brief op te vatten als een ontroerend gebaar van beschermende broederliefde (een zeer Rothwaardig sentiment, lees Het contraleven maar, al kan de liefde daarin evengoed in het tegendeel omslaan), aan de andere kant vooral ook als een onbegrijpelijke vorm van naïveteit – veel anders viel er niet te verwachten. Het beeld van naïviteit wordt nog versterkt door de opmerking: ‘Gelukkig zijn er Nederlandse vertalingen van een aantal van zijn boeken.’ Wie iets weet van de mechanismen van transnationale culturele uitwisseling weet ook dat van een schrijver als Roth al het werk in vertaling is verschenen.

Laten we de brief dan als aanleiding nemen voor een kijkje in de Nederlandse vertaalgeschiedenis van het werk van Roth en de vertalers alsnog de eer van de verdiende aandacht bewijzen. Aan de ene kant verloopt die geschiedenis volgens een geijkt patroon, maar er zit ook een bijzonder kantje aan dat voor niet alle vertalers complimenteus is. (Voor een overzicht van de Nederlandse vertaalgeschiedenis van de werken van Philip Roth klik hier.) 

Het debuut van Roth, Goodbye Columbus and five stories, verscheen in 1959. Het werd niet meteen gesignaleerd in Nederland, de vertaling Vaarwel, Columbus en 5 korte verhalen (door Nico Polak en Fie Zegerius) verscheen in 1964 bij Athenaeum, Polak & Van Gennep. Roths grote doorbraak kwam in 1969 met zijn vierde roman, Portnoy’s Complaint, vooral ook een succès de scandale. Die omstandigheid zal voor uitgeverij Meulenhoff (die de rechten voor de neus van AP&G wegkaapte) ongetwijfeld de aanleiding zijn geweest om de roman onmiddellijk na verschijnen uit te brengen in een vertaling van Else Hoog: Portnoy’s klacht (let op de on-Nederlandse apostrof); dit jaar kwam de 22e druk van de vertaling uit. Na het verkoopsucces van Portnoy’s klacht worden ook de twee nog niet uitgegeven romans in vertaling uitgebracht (Letting Go/Laat maar gaan en When She was Good/Een braaf meisje) en komen alle vertalingen van Roths daaropvolgende werken binnen korte tijd na het origineel uit. Aanvankelijk zit er soms nog een jaar tussen, maar de laatste tien vertalingen verschenen zo goed als gelijktijdig met de originelen. Dit mag als een typisch patroon gelden voor de vertaalgeschiedenis van dergelijke auteurs: na doorbraak met verkoopsucces volgt vertaling van de back catalogue en worden vertalingen van volgende werken snel na originelen uitgebracht, of zelfs tegelijkertijd.

18_22_Columbus 1964

Vaarwel Columbus 1964

18_22_Columbus 2009

Vaarwel Columbus 2009

Opmerkelijk voor een succesvolle auteur als Roth is dat er zo veel verschillende vertalers betrokken zijn geweest bij de publicatie van zijn werk in Nederland. De vertalingen van de eerste negen boeken zijn door zeven verschillende vertalers gemaakt. Daar zitten bekende en gelauwerde namen bij: Jean Schalekamp, C.A.G. van den Broek, Else Hoog, Bartho Kriek, maar ook volkomen onbekende: Jack Verheydt, Nico Polak en Fie Zegerius. Verheydt had de dubieuze eer om het boek van Roth onder handen te mogen nemen dat zich wellicht het meest tegen vertaling verzette, The Great American Novel. Deze roman is het verhaal van een fictieve honkballeague in de Tweede Wereldoorlog in Amerika. Het boek is zo rijk aan (niet-fictieve) historische en culturele referenties naar honkbal in die periode dat het nauwelijks leesbaar is zonder een boekenkast vol honkbalencyclopedieën. Het vertalen ervan moet Verheydt tot wanhoop hebben gedreven. Het boek is nu kennelijk zo obscuur dat het zelfs in de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek niet is terug te vinden, waar het toch echt geacht wordt aanwezig te zijn.

Daarna wordt het beeld rustiger, de tweeëntwintig vertalingen die nog volgden zijn vertaald door vijf verschillende vertalers: Else Hoog (9), Bartho Kriek (3), Rob van der Veer (2), Koo Kooman (6) en Babet Mossel (4). Bij elkaar bevinden zich drie winnaars van de Nijhoff Prijs in de lijst: Van den Broek, Hoog en Mossel – Roth mag dan de Nobelprijs voor Literatuur nooit hebben gewonnen, drie Nijhoffprijzen is toch ook wat waard. Dat Else Hoog bekend is komen te staan als dé vertaler van Philip Roth is dus nauwelijks terecht, maar zal allicht komen door het feit dat zij de meest beeldbepalende werken van Roth voor haar rekening heeft genomen, naast Portnoy’s klacht, de zogeheten Amerikaanse trilogie die alom geroemd wordt als het hoogtepunt uit Roths oeuvre: Amerikaanse pastorale, Ik was getrouwd met een communist en De menselijke smet.

Nog opmerkelijker aan de vertaalgeschiedenis is echter dat veel van de vertalingen zijn herzien, of zelfs opnieuw vertaald. Dat komt eigenlijk bijna nooit voor, dat goed lopende titels in vertaling herzien worden, tenzij er iets aan de hand is. Wat is er aan de hand?

In het begin van deze eeuw stapte Roth over van Meulenhoff naar De Bezige Bij. In 2005 was er een nieuwe directie bij Meulenhoff aangetreden die de overeenkomst met Roths agent als een ‘wurgcontract’ ervoer: de uitgever zou in twee jaar tijd twaalf titels in een herziene vertaling moeten publiceren en dat was voor hen onuitvoerbaar en dus onaanvaardbaar. De Bezige Bij nam Roth onder contract met wellicht iets minder stringente voorwaarden. De herziene vertalingen verschenen wel, maar niet in een periode van twee jaar. (Zie ook hier.)

Maar waarom stond de agent van Roth erop dat de vertalingen herzien moesten worden?

Volgens een anekdotische Facebookpost van Tilly Hermans, destijds werkzaam bij Meulenhoff, hebben we dat te danken aan literatuur en -cultuurcriticus Michael Zeeman. Zeeman kende Roth persoonlijk, stond zelfs op goede voet met hem. Het diepgravende interview dat hij met hem maakte voor de VPRO is legendarisch geworden en in de necrologieën van Roth in Nederland nergens onvermeld gebleven en met recht. Zeeman had de Nederlandse vertalingen van Roths werk bekeken, ze lang niet allemaal goed bevonden en dat aan Roth laten weten. Dat moest dus beter.

Ik ken geen openbare bespreking van de vertalingen door Zeeman, maar uit de uitgaves zelf valt wel te reconstrueren om welke werken het gegaan moet zijn. Afgaande op de colofons uit de uitgaven van de Bezige Bij betrof dat in elk geval:

Het contraleven (vertaling Rob van der Veer; 6e, herziene druk 2008)
Vaarwel, Columbus (Nico Polak & Fie Zegerius; 4e, herziene druk 2009),
De ghostwriter (Else Hoog; 4e, herziene druk 2009),
De eenzaamheid van Zuckerman (Bartho Kriek; 4e, herziene druk 2009),
Les in anatomie (vertaling Bartho Kriek; 4e, herziene druk 2009),
De Praagse orgie (vertaling Bartho Kriek; 4e, herziene druk 2009).

Twee van de drie zogeheten Kepeshromans, naar de hoofdpersoon David Kepesh, zijn zelfs in hun geheel opnieuw vertaald. De vertalingen De borst en Professor in de begeerte door Else Hoog werden in 2010 vervangen door vertalingen van Koo Kooman, die ook de vertaling van deel 3, Een stervend dier, voor zijn rekening nam. Het is opvallend dat het juist vertalingen van de gelauwerde Else Hoog zijn die kennelijk in hun geheel niet voldeden.

Dit alles maakt natuurlijk nieuwsgierig naar wat er zo erg geweest is dat revisie op zijn plaats zou zijn. Het is onmogelijk om dat voor alle betreffende teksten te doen – althans, het is ontzettend veel werk – maar ik gebruik al sinds jaar en dag bij colleges over vertaling en stijl de eerste alinea van de novelle ‘Goodbye, Columbus’ en de beide versies van ‘Vaarwel, Columbus’ als voorbeeld van hoe stilistische verschillen tot grote verschillen in de tekstwereld kunnen leiden. Laten we daar nu ook een nadere blik op werpen.

Bij wijze van contextualisering eerst een korte plotbeschrijving. Aan het begin van de zomer ontmoet Neil Klugman, een joodse jongeman uit Newark, New Jersey, waar hij een eenvoudig baantje heeft in de openbare bibliotheek, via zijn nicht in een country club de 19-jarige joodse Brenda Patimkin, studente aan het prestigieuze Radcliffe College die de zomer doorbrengt bij haar ouders en broer en zus in Short Hills, een dure wijk net buiten Newark. Neil maakt avances waar Brenda ambivalent op reageert. Er ontwikkelt zich een adolescentenliefde die voornamelijk is gebaseerd op lust en de zucht naar de ontdekking van elkaar. Gedurende de vakantie logeert Neil drie weken bij de familie Patimkin. In die weken wordt hij een vehikel in de strijd tussen Brenda en haar moeder. Neil brengt veel tijd door met Brenda alleen, komt mee naar het familiebedrijf van de Patimkins. De broer van Brenda gaat trouwen en Neil gaat mee naar de bruiloft. Neil haalt Brenda over een pessarium te nemen en ze gaan samen naar de gynaecoloog. Aan het eind van de zomer gaat Brenda weer naar Radcliffe en keert Neil terug naar zijn tante bij wie hij inwoont. Bij de volgende vakantie wil Brenda niet naar huis komen en vraagt Neil naar haar te komen. Daar zegt ze dat ze niet met elkaar verder kunnen gaan omdat haar moeder het pessarium heeft gevonden in een van haar klerenkasten. Neil verwijt haar dat ze het voorbehoedmiddel met opzet daar had opgeborgen omdat ze wilde dat haar moeder het vond.

De verhouding tussen Neil en Brenda laat vooral de grote culturele en sociale verschillen zien tussen het volledig geassimileerde gezin van de laatste (upwardly mobile en outwardly mobile) en de uit een lager milieu afkomstige Neil. Het personage Brenda wordt wel gezien als een van de eerste representaties van het archetype van The Jewish Princess. De eerste alinea vormt in feite een proloog op de rest van het verhaal, waarin de verhoudingen al geschetst worden.

Dat een revisie bij de eerste vertaling van Roth in het Nederlands heeft plaatsgevonden lijkt inderdaad geen overbodige luxe te zijn geweest als je deze alinea’s naast elkaar legt. Het voert te ver om de verschillen hier uitgebreid en gedetailleerd te bespreken, maar op een paar zal ik nader ingaan. Hieronder de betreffende alinea’s, in cursief zijn de verschillen gegeven tussen de twee vertalingen, in vet passages waarin van een opvallend verschil met het origineel sprake is.

(1) Toen ik Brenda voor ’t eerst ontmoette, vroeg ze mij haar bril even vast te houden. (2) Daarna stapte ze naar het uiterste puntje van de springplank en tuurde ze kippig in het bassin. (2a) Als het leeg was geweest, zou Brenda – bijziend als ze was – het nóg niet hebben gemerkt. (3) Ze dook prachtig en even later zwom ze terug, haar hoofd met het korte kastanjebruine haar recht vooruit, als een roos op een lange steel. (4) Ze liet zich uitdrijven naar de kant en kwam toen naast me staan. (5) ‘Dank je’, zei ze. (5a) Haar blik was waterig; niet door het water. (6) Ze stak een hand naar haar bril uit, maar zette hem niet op voor ze zich omdraaide en wegliep. (7) Ik keek haar na. (8) Plotseling zag ik dat ze haar handen achter haar rug bracht. (9) Ze trok met duim en wijsvinger de onderkant van haar badpak omlaag en bedekte weer het blootgekomen vlees. (10) Het hart klopte me in de keel. (1) Toen ik Brenda voor het eerst ontmoettevroeg ze of ik haar bril wilde vasthouden. (2) Daarna stapte ze naar het uiterste puntje van de duikplank en tuurde ze kippig het zwembad in. (2a) Als het leeg was geweest, zou Brenda – bijziend als ze was – het nóg niet hebben gemerkt. (3) Ze maakte een prachtige duik en even later zwom ze terug, haar hoofd met het korte kastanjebruine haar recht vooruit, als een roos op een lange steel. (4) Ze liet zich uitdrijven naar de kant en kwam toen naast me staan. (5) ‘Dank je,’ zei ze. (5a) Haar blik was waterig, maar niet door het water. (6) Ze stak een hand uit naar haar bril, maar zette hem niet op voor ze zich omdraaide en wegliep. (7) Ik keek haar na. (8) Plotseling zag ik dat ze haar handen achter haar rug bracht. (9) Ze trok met duim en wijsvinger de onderkant van haar badpak omlaag en bedekte weer het ontblote stukje vlees. (10) Mijn hart klopte in mijn keel.

(1)The first time I saw Brenda she asked me to hold her glasses. (2) Then she stepped out to the edge of the diving board and looked foggily into the pool; it could have been drained, myopic Brenda would never have known it. (3) She dove beautifully, and a moment later she was swimming back to the side of the pool, her head of short-clipped auburn hair held up, as though it were a rose on a long stem. (4) She glided to the edge and then was beside me. (5) ‘Thank you,’ she said, her eyes watery though not from the water. (6) She extended a hand for her glasses but did not put them on until she turned and headed away. (7) I watched her move off. (8) Her hands suddenly appeared behind her. (9) She caught the bottom of her suit between thumb and index finger and flicked what flesh had been showing back where it belonged. (10) My blood jumped. 

Philip Roth, ‘Vaarwel, Columbus’ (vertaling: Nico Polak en Fie Zegerius), in: idem, Vaarwel, Columbus en vijf korte verhalen, Amsterdam: Polak & Van Gennep, 1964. Philip Roth, ‘Vaarwel, Columbus’ (vertaling: Nico Polak en Fie Zegerius), in: idem, Vaarwel, Columbus en vijf korte verhalen, Amsterdam: De Bezige Bij (vierde, herziene druk), 2009. Philip Roth, ‘Goodbye, Columbus’, in Goodbye, Columbus (1959)

 

De herziening moet vooral gemotiveerd zijn geweest door de wens om op woordniveau te moderniseren (‘zwembad’ voor ‘bassin’) en op grammaticaal niveau te vereenvoudigen: ‘vroeg ze of ik haar bril wilde vasthouden’ voor ‘vroeg ze mij haar bril even vast te houden’ (zin 1). Het lijkt ook duidelijk dat de herziening op grond van een lezing van uitsluitend de vertaling heeft plaatsgevonden, want de echt invasieve vertaalingrepen zijn ironisch genoeg juist ongemoeid gelaten. Uit het colofon bij de uitgave van 2009 wordt niet duidelijk wie er verantwoordelijk is voor de herziening. Het lijkt niet waarschijnlijk dat dat de vertalers zelf waren; het zal eerder een redacteur of een persklaarmaker zijn geweest.

De zin ‘She glided to the edge and then was beside me.’ (4) is vertaald met ‘Ze liet zich uitdrijven naar de kant en kwam toen naast me staan.’ In de Engelse zin wordt in het tweede deel een situatie beschreven zonder dat aangegeven wordt hoe die situatie tot stand kwam. In het Nederlands verwijst ‘staan’ wel naar een situatie, maar die is ingebed in een zin waarin het hoofdwerkwoord een handeling beschrijft, ze ‘kwam staan’. De zin ‘Her hands suddenly appeared behind her.’ (8) is vertaald met ‘Plotseling zag ik dat ze haar handen achter haar rug bracht.’ In het Engels wordt een gebeurtenis beschreven, waar in het Nederlands een observatie door de ik-persoon van een handeling van het andere personage wordt beschreven. In beide gevallen vindt dus een verschuiving plaats op het niveau van fundamentele semantische categorieën. Dit heeft grote gevolgen voor de weergave van hoe de ik-persoon observeert. In zin 4 in het origineel is zijn blik gefixeerd op het water waar het lichaam door glijdt en heeft Neil pas in de gaten dat Brenda niet meer in het water ligt als ze naast hem blijkt te staan. Door het gebruik van ‘kwam’ lijkt hij in het Nederlands eerder haar gang uit het bad waar te nemen. In zin 8 in de originele tekst is de blik van Neil gefixeerd op de billen van Brenda en komen de handen onverwacht in beeld, in het Nederlands neemt hij het geheel van haar lichaam waar en ziet hij wat zij doet. De subtiele sensuele onderstroom is in het Nederlands dus eigenlijk uit de vertaling verdwenen, waarmee ook de vooruitwijzing naar het sensuele, seksuele karakter van de verhouding tussen Neil en Brenda verdwijnt. Dat komt ook goed tot uiting in de laatste zin van de alinea. Het uitgangspunt moet geweest zijn dat een idioom met een idioom vertaald moet worden: ‘Het hart klopte me in de keel/klopte in mijn keel’ voor ‘My blood jumped’. In het Nederland is het idioom echter dubbelzinnig in de verwijzing naar angst of opwinding terwijl het Engelse idioom eigenlijk alleen op opwinding kan wijzen, en daarmee de enige plek suggereert waar in het lichaam van een man bloed een plotselinge opwaartse beweging kan maken.

Al met al is het voorstelbaar dat Zeeman deze vertaling op het oog heeft gehad bij zijn oordeel, maar het is nauwelijks voorstelbaar dat dit was wat hij en Roth voor ogen hadden bij een herziening ervan.