Vertaaldag  Archief

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

In goed Hollandsch vertaald

Jan Gielkens

Vertalers raken al vroeg vertrouwd met de eindigheid van hun werk. Je krijgt voortdurend te horen dat een vertaling een jaar of dertig meegaat voor ze verouderd is, en dat is nog een enorme periode als je ziet hoe snel sommige van je werkstukken in de ramsj belanden of, erger nog, in de papiermolen. Als je een beetje geluk hebt kunnen je nazaten over een poos je naam terugvinden in het werkstuk van een student die onderzoek doet naar de vertaalgeschiedenis van een bepaalde literair werk of een auteur. Zo’n werkstuk gaat dan over een klassieker of over een schrijver die de canon heeft gehaald. Als je dubbele pech hebt, vertaal je een auteur die daar niet in is geslaagd. Dan kun je alleen nog maar hopen dat jij zelf de canon haalt en dat er in het overzicht met meesterwerken waaraan je je leven hebt gewijd ook een paar boeken staan waarover je nazaten hun wenkbrauwen fronsen.

Als er nog nazaten van mevrouw L. Wille-Vogel zijn, dan kunnen ze nu even blij zijn. Van mevrouw L. Wille-Vogel vind ik in de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek twee vertalingen: een van een boek van Marie Diers uit 1923, en een van een boek van Rudolph Stratz uit 1918. Deze beide Duitse schrijvers zijn tijdens mijn studie Duits niet voorbijgekomen, maar nu ik op Wikipedia met hen kennismaak, is dat misschien wel jammer. Marie Diers (1867-1949) schreef een veertigtal romans, die zich vooral afspelen in Mecklenburg. Daarvan werd vanaf 1901 een behoorlijk deel in het Nederlands vertaald door een serie kandidaten voor het dikke lexicon van vergeten collega’s: Christine Oudemans, E.H., Georgette Schoonderbeek-Vreedenberg (vermoedelijk de vrouw van de uitgever van een deel van de boeken van Diers), Henriëtte M.J. Bok, J. Herderscheê, Cato W. Westenberg, C. v.d. Tonge-Koster en Henri van de Weg. De laatste twee zullen de lezers van Karl Mayvertalingen bekend voorkomen.

Van de romans van Diers verscheen een aantal vanaf 1901 als romanfeuilleton in De Telegraaf en andere kranten, zonder dat dat altijd tot een boekuitgave leidde. Maar als we mogen afgaan op de manier waarop uitgeverij Schoonderbeek in 1922 in een advertentie in de Nieuwe Rotterdamsche Courant de tweede druk van de roman Die niet mogen sterven aanprees, was Diers in Nederland een bestsellerauteur: ‘De eerste druk was reeds vóór de verschijning, bij vooruitbestelling, uitverkocht.’ De kritiek was niet altijd even positief over Marie Diers. De Stemmen des Tijds in 1912 in een recensie van de roman Tante Lütte:

‘Wie aan zijn lektuur geen al te hooge eischen, of nog beter, zoo goed als geen eischen stelt, dan misschien dat zij eene aangename verpoozing zij, en een ledig uur vulle met een niet al te fel, niet al te onrustig leven, dat zij tegelijk wat vriendelijke en welwillende gedachten schenke of wakker make en laat zien dat “de deugd schoon” is, zal ook dit boek, door Mej. Cato W. Westenberg in goed Hollandsch vertaald, niet zonder een zeker behagen uit de hand leggen. […] Tot wat “kunst” heet behoort het niet.’

Vanaf het begin van de jaren dertig levert de zoekterm ‘Marie Diers’ in de onvolprezen krantendatabase www.delpher.nl van de Koninklijke Bibliotheek alleen nog maar advertenties op waarin het werk van Diers wordt verramsjt. Of dat iets te maken heeft met het feit dat in het buitenland langzaam duidelijk werd dat de schrijfster een steile nationaalsocialiste was geworden, is onbekend. Curieus in dat verband is het feit dat er van het blijkbaar populaire De brieven van den ouden Josias (negen Nederlandse drukken tussen 1915 en 1929) in 1983 nog een luisterboek werd gemaakt voor visueel gehandicapten.

Goede Harten2

Eigenlijk, moet ik na 600 woorden bekennen, was het de bedoeling dat dit stuk gewijd was aan die andere auteur die ik boven noemde, Rudolph Stratz (1864-1936), maar mijn nieuwsgierigheid naar de mij al even onbekende Marie Diers liep probleemloos uit de hand. Ook Stratz (wiens voornaam op zijn boeken ook als Rudolf voorkomt) moet eens, vanaf het eind van de negentiende eeuw tot ver in de jaren dertig, hebben gedacht dat hij de eeuwige literaire roem had bereikt: hij schreef een honderdtal boeken: romans, novellen, toneelstukken, historische boeken, kinderboeken, bestsellers vaak met oplagen van soms een half miljoen. En ook zijn boeken werden in het Nederlands vertaald. Van die vertalingen kreeg ik er onlangs toevallig een paar op mijn bureau. De vergetelheid waarin hij is geraakt is misschien relatief gezien nog groter dan die van Marie Diers, want zijn productie was veel groter en hij is zo te zien niet de obscuriteit in gedwongen vanwege een nationaalsocialistisch verleden. Zelfs de liefhebber die een biografische schets van hem op de Duitse Wikipedia zette moet toegeven dat hij ‘weitgehend in Vergessenheit geraten’ is.

Het verhaal van de Nederlandse Stratzvertalingen komt verregaand overeen met dat van Diers: een reeks feuilletons en vertaalde boeken – maar minder dan Diers – vanaf 1899 tot ver in de jaren twintig, de vertalers heten nu Lina Tervooren, A.E. Nuijs-Posthumus, L. Wille-Vogel (daar is ze weer), J.L. van der Moer en J.P. Wesselink-van Rossum. Die laatste naam kent iedereen die wel eens een antiquarisch uit het Duits vertaald boek heeft opengeslagen. Maar heeft wel eens iemand geprobeerd de enorme productiviteit van deze dame in kaart te brengen? Ze vertaalde ook het hierbij afgebeelde Goede Harten.

Maar goed, voordat ik weer afdwaal en zelf het werk van Joanna Petronella Wesselink-van Rossum (1860-1930) in kaart ga brengen, moet ik misschien snel laten weten wat de moraal van dit verhaal is: wie als vertaler moeite heeft met dat onlosmakelijk met zijn werk verbonden lot van de vergankelijkheid, kan misschien troost vinden in het lot van de vergeten schrijver.