Nominaties Filter Vertaalprijs 2018    2-8

jury Filter Vertaalprijs 2018

De Filter Vertaalprijs wordt jaarlijks toegekend voor de meest bijzondere vertaling uit het voorafgaande kalenderjaar. De vertaler wordt beloond met een geldbedrag van € 10.000, ter beschikking gesteld door diverse vooraanstaande uitgeverijen en enkele anonieme begunstigers. In samenwerking met Stichting Filter, willen zij met deze prijs bijdragen aan een hogere waardering voor uitzonderlijke vertaalprestaties. De winnaar wordt bekendgemaakt tijdens een feestelijk programma rond de genomineerde vertalingen en hun vertalers (in samenwerking met Het Literatuurhuis) op Wereldboekendag, maandag 23 april 2018.

De jury van de Filter Vertaalprijs 2018 bestond uit Jacqueline Bel (voorzitter), Erik van den Berg, Harm-Jan van Dam, Vicky Francken, Robbert-Jan Henkes (winnaar van de prijs in 2017) en Eva Wissenburg (secretaris). De jury nomineerde vijf vertalingen. Hieronder de motivering van haar keuze, in alfabetische volgorde op naam van de vertaler(s):

 

Kiki Coumans voor Guillaume Apollinaire, Het raam gaat open als een sinaasappel
(Uitgeverij Vleugels)

Verbazingwekkend is het, welbeschouwd, gezien de grote invloed van het werk van Apollinaire op andere dichters en kunstenaars, dat een heel aantal van deze gedichten nu pas voor het eerst in Nederlandse vertaling verschijnt. Ja, in 2007 verscheen er ook al een selectie in de reeks ‘De mooiste van…’, vertaald door Jan Pieter van der Sterre, maar op de een of andere manier oogden de gedichten in die bundeling toch tamelijk klassiek en daardoor niet overal in overeenstemming met de poëzieopvattingen van de dichter zelf, die in zijn moderne gedichten de grenzen van het mogelijke opzoekt.

2018_omslag _Coumans _Apollinaire

Die rijkdom, evenals de sprekende kracht van de beeldgedichten, komt in Coumans’ vertaling wel goed uit de verf. Ze tóónt in welke opzichten deze gedichten vernieuwend waren. Niet door erover te vertellen, maar door het de lezer te laten beleven in goedlopende, levenslustige zinnen. Dat ze de opgewonden en uitgelaten sfeer rondom ‘de moderne tijd’ en het stadsleven met zijn nieuwe technologieën weet te vangen, is een hele kunst – de lezer bevindt zich immers in een nóg modernere tijd. En toch fonkelen deze gedichten, zo’n honderd jaar later, bijna als nieuw.

Het eerste gedicht, ‘Zone’, valt meteen met de deur in huis: ‘Ten slotte ben je deze ouderwetse wereld beu’. De vertaalster koos ervoor dit rijmende gedicht te vertalen met de focus op het ritme, het zingende karakter ervan. Daardoor moet het (eind)rijm weliswaar soms wijken, maar het komt de natuurlijkheid en de stuwende kracht van de woorden absoluut ten goede. Overtuigend en geslaagd, vanaf de eerste bladzijde.

Ook haar vertaling van de beeldgedichten of ‘lyrische ideogrammen’ is fijnzinnig en precies. In ‘Oceaan-brief’, bijvoorbeeld, met de zichtbare zonnen en golven en het knerpen van de nieuwe schoenen van de dichter. Of in ‘Reis’(‘WAAR HEEN GAAT DEZE TREIN DIE STERFT IN DE VERTE’), waar de dikgedrukte en vergrote letter c in het woord ‘nacht’ een maan is tussen de losse letters die ter plekke de sterren uithangen. Of in ‘Watten in de oren’:

Zoveel explosies hier VITAAL!
Schrijf een woord als je durft
[…]
OMegafoon

Het fascinerende is dat Apollinaire surrealisme en een voorliefde voor de avant-garde combineerde met herhaaldelijk terugkerende en toch weer afgestoten vormvaste kenmerken. Traditie en vernieuwing gaan soms arm in arm, omdat de een natuurlijk ook niet zonder de ander kan. De bijzondere combinatie van deze verschillende registers zorgt bij de lezer voor een geprikkelde verbeelding: waar de taal met al zijn raadselen aan het werk is, zijn associaties vrij. Uit ‘Er is’:

Er zijn zes kabelballonnen in de lucht en als de nacht valt lijken het wel maden waaruit sterren worden geboren
[…]
Er is een infanterist die blind van het gifgas voorbijloopt
[...]
Er zijn rivieren die niet meer terug zullen stromen
Er is de liefde die me zachtjes betovert

Prachtig is ook de dageraad in ‘Winterdageraad’, die ‘haast beschaamd’ is ‘moeder te zijn / van een doodgeboren zon’.

Het raam gaat open als een sinaasappel sluit af met het gedicht ‘Overpeinzing’ dat zacht zingend een einde aankondigt:

Deze nacht is zo mooi met zijn koerende kogels
Een rivier van granaten stroomt boven ons hoofd
Soms licht de nacht even op door een ontploffing
Als een bloem die zich opent en dan weer verdwijnt
De aarde weeklaagt en als een getijde
Stijgt de zingende zee in mijn schuilplaats van krijt

In alles lijkt deze bundel te doen en te zijn wat Apollinaire van zijn gedichten wilde: vitaliteit voorop, een schat aan beelden en vormen, met ruimte voor compositie en experiment. Oftewel: ‘Duizend ongrijpbare fantasieën / Die werkelijkheid moeten worden’.

 

Piet Gerbrandy& Casper de Jonge voor Aristoteles Poëtica. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien. (Historische Uitgeverij)

De Poëtica van Aristoteles is het oudste systematische werk van Europa over literatuurtheorie door misschien de belangrijkste filosoof aller tijden. Het is onvolledig overgeleverd – alleen het gedeelte over de tragedie en het epos – en in de vorm gegoten van aantekeningen voor Aristoteles’ colleges. De makers van deze nieuwe vertaling, de derde in ruim twintig jaar, bewijzen dat de Poëtica desondanks lang niet zo onbegrijpelijk is als veel lezers, mede op grond van oudere vertalingen, dachten.

2018_omslag _Aristoteles _Gerbrandy De Jonge

In de ‘Inleiding’ merken de vertalers naar aanleiding van die oudere vertalingen op: ‘vertalen is ook keuzes maken. Het is niet altijd behulpzaam de lezer van een vertaling lastig te vallen met alternatieve interpretaties, aanvullende verklaringen en wat dies meer zij. In de hier voorgestelde vertaling kiezen we ervoor de tekst helder en toegankelijk te presenteren.’ Wat de tekst betreft is dat volkomen waar: de vertaling is geschreven in kraakhelder Nederlands, begrijpelijk voor iedereen die zich interesseert voor literatuur, zonder te simplificeren, met woorden als ‘kritiekpunt’, ‘verschijningsvorm’, ‘vakkundigheid’. Zoals Aristoteles zelf het zegt in deze vertaling: ‘Spraak heeft kwaliteit als ze helder, maar niet vlak is. Het helderst is natuurlijk een taaluiting die geheel uit gangbare woorden bestaat, maar dan is ze ook vlak [...] Plechtig en afwijkend van het al te gewone is een taaluiting die gebruikmaakt van vreemde woorden. Daaronder versta ik [...] alles wat haaks op het gangbare staat [...] Het is dan ook zaak die categorieën op de een of andere manier met elkaar te mengen.’ Hier worden die precies goed gemengd voor het genre literatuurkritiek: redelijk gangbaar, maar zeker niet vlak.

Van de sleuteltermen in Aristoteles’ betoog is in de marge het Griekse origineel aangegeven, zodat de lezer kan vergelijken met andere vertalingen en interpretaties. De omgang met deze termen – waarbij de vertalers niet star aan een één-op-éénverhouding vasthouden – is een van de sterke punten van de vertaling: plot (muthos), uitbeelding (mimesis, ook: afbeelden), taalgebruik (lexis, ook: spraak, gesproken woord, woorden), misstap (hamartia), lijden (pathos). Ook de structurering van de tekst in korte eenheden van een halve tot een paar bladzijden die door de vertalers is aangebracht, met hun eigen rake tussenkopjes, is uiterst verhelderend en prikkelt de lezer om door te gaan: ‘de oorsprong van de dichtkunst’, ‘een tragedie is geen epos’, ‘problemen en oplossingen’. Het stimulerende ‘Nawoord’ over de receptie van de Poëtica van Cicero tot en met Borges en van de Arabieren tot en met Bilderdijk zet de Poëtica in een algemeen literair en cultureel kader.

Maar al mikt de vertaling op deze manier op een ‘breed’ publiek van lezers die in literatuur geïnteresseerd zijn, vakgenoten en kenners komen wel degelijk aan hun trekken. Dat blijkt ook uit de ‘Inleiding’, gebaseerd op de beste en nieuwste tekstedities en studies, waarin allerlei aspecten van tekst, achtergrond en interpretatie aan de orde komen; uit de nuttige én luchtige verklarende noten en uit het ‘Glossarium’ waar de sleuteltermen nog eens systematisch worden besproken en in een Aristotelisch kader worden geplaatst.

 

Martin de Haan voor Choderlos de Laclos, Riskante relaties (De Arbeiderspers)

Franse lezers hebben pech. Die moeten het al ruim twee eeuwen doen met een en dezelfde versie van Les liaisons dangereuses, terwijl Nederlandse lezers de afgelopen zestig jaar uit liefst vier versies van Choderlos de Laclos’ fameuze briefroman konden kiezen: Gevaarlijk spel met de liefde (Adriaan Morriën, 1954), Gevaarlijke liefde (Renée de Jong-Belinfante, 1966), Gevaarlijke hartstochten (Frans van Oldenburg Ermke, 1972) en Riskante relaties, de jongste vertaling door Martin de Haan.

2018_omslag _De Haan _Riskante Relaties

Van die laatste vertaler is de hierboven geparafraseerde verzuchting over de ‘arme Fransen die het altijd maar met hetzelfde, steeds oudere boek moeten doen’. Het citaat staat op hofhaan.nl/laclos, het blog dat Martin de Haan bijhield tijdens het vertalen van Les liaisons dangereuses en dat inzicht biedt in de problemen waarmee een vertaler bij het omzetten van een tekst uit 1782 wordt geconfronteerd.

De complicaties bij het vertalen van Les liaisons dangereuses schuilenoverigens minder in de ouderdom van de tekst, dan in het verbluffend geschakeerde taalgebruik van de auteur, die elk van de zeven briefschrijvers in zijn roman een eigen karakter heeft gegeven. Tezamen leveren die zeven stemmen een stilistisch spectrum op dat reikt van vormelijke salontaal (zie de brave madame de Tourvel) tot de geslepen brutaliteiten van marquise de Merteuil en vicomte de Valmont, de twee partners in het kwaad die de amoureuze intriges 175 brieven lang laten knetteren van venijn.

De afgelopen vijftig jaar gold Adriaan Morriëns vertaling, die tot 2012 is herdrukt, als toonaangevend. De Haans blog wijdt waarderende woorden aan zijn voorganger, maar suggereert ook dat de reputatie van Morriëns vertaling tenminste deels viel toe te schrijven aan een gebrek aan serieuze concurrentie. Die suggestie lijkt gerechtvaardigd: in De Haans vertaling komen de stilistische verschillen tussen de zeven briefschrijvers zoveel beter tot hun recht dat je een nieuwe tekst lijkt te lezen.

Zo schrijft de geëxalteerde chevalier Danceny aan Cécile, de naïeve ‘rozenknop’ die door Valmont wordt geschaakt: ‘Un seul regard, un seul mot et nous serons heureux.’ Morriën maakt daar iets omslachtigs van waarin weinig overblijft van Dancenys vervoering: ‘Als wij elkaar maar één keer in de ogen konden zien en slechts een enkel woord met elkaar zouden spreken, dan zouden wij weer gelukkig zijn.’ De Haan is beknopt en raak als Laclos: ‘Eén blik, één woord en we zullen gelukkig zijn.’ (Volgens een post scriptum op zijn blog kan het nog scherper: ‘Eén blik, één woord, en we zijn gelukkig.’)

Tegenover Danceny’s verheven volzinnen staat het proza van Merteuil, gekenmerkt door haar ‘volstrekt ongeremde stijl’. Een vertaler dient die vrijpostigheid uiteraard zichtbaar te maken, maar staat voor de moeilijkheid dat het hedendaagse Nederlands veel minder aan conventies is gebonden dan het achttiende-eeuwse voorbeeld. Dus hoe recht te doen aan de frictie tussen etiquette en overtreding?

De Haan vond een fraaie oplossing. Enerzijds liet hij het ‘korset van wellevendheid’ intact, door vormen als madame, vicomte en chevalier onvertaald te laten. Anderzijds laste hij eigentijdse leenwoorden in als ‘flirten’, ‘dumpen en ‘close’ (dat laatste ook als heimelijke hommage, bekent hij op zijn blog, aan Glenn Close, die Merteuil vertolkte in de Liaisons-verfilming uit 1988).

Als de vicomte en de marquise tegen het einde van de roman op elkaar zijn uitgekeken, schrijft zij hem een honende brief, die ze ondertekent met ‘Votre servante, monsieur le vicomte’. Morriën vertaalde die ondertekening archaïserend met ‘Waarde burggraaf, ik heb de eer te zijn...’. De Jong-Belinfante hield het op: ‘Uw dienares, Vicomte’. De Haan herkende de steek onder water in de ogenschijnlijke galanterie en gaf haar de vlijmende lading waar ze om vraagt: ‘U kunt de pot op, monsieur le vicomte’.

 

Lisa Thunnissen voor Aura Xilonen, De cowboykampioen (Uitgeverij Wereldbibliotheek)

De eerste zin zet meteen de toon, het tempo en de extreme moeilijkheidsgraad, en leest als een trein in het Nederlands: ‘Dus die paupers lopen dat mooie meisje te teasen en vieze dingen naar haar te roepen en ik denk: als ik die fokking meridianen verrot sla wordt mijn leven misschien totaal anders.’

2018_omslag _Thunnissen _Cowboykampioen

We zitten in het hoofd van een even grof- als goedgebekte Mexicaanse vluchteling/emigrant/gelukszoeker/wetback die op de onderste sport van de kapitalistische strontladder in de Verenigde Staten een bestaan probeert op te bouwen, beginnend in een boekhandel en eindigend als bokser. De taal in deze debuutroman van de destijds negentienjarige Aura Xilonen is een kolkende mengeling van een veelheid registers uit alle hoeken en gaten, van het dialect van Vera Cruz tot verspaanst Engels en verengelst Spaans, en van onbestaande, zelfgemunte woorden tot combinaties met het inheemse Nahuatl, de taal van de Azteken.

Pittig, op z’n zachtst gezegd, en Thunnissen, van wie dit haar debuutromanvertaling is, weet met bijna speels gemak de talige schatten in vertalige rijkdommen om te zetten. Weten wat er staat is al een uitdaging, om het om te zetten in levend, snel, bijna hartstochtelijk Nederlands is een nog grotere kluif, en een taak waar de vertaler zich voorbeeldig van kwijt. In het taalgeweld komen we onder andere tegen een ‘driehoekige schaterlach’ (54), ‘de meeuwen met hun warrige zandpruiken (104), ‘een soepschaterlach’ (145), ‘anderwerelds transparant’ (298), terwijl er in het scheldregister ook absoluut een en ander te beleven valt (‘Fuuuuuck you, mongool!’, 52). Souplesse gekoppeld aan vindingrijkheid.

‘Toen Xilonen haar boek schreef,’ vertelt Thunnissen in Terras, ‘wilde ze [het vervlakte vocabulaire van haar leeftijdsgenoten aan de universiteit] uitbreiden, deneutraliseren. Haar hoofdpersoon gebruikt dan ook allerlei vreemde woorden, die meestal wel te herleiden zijn: zelfstandige naamwoorden zijn plots in werkwoorden veranderd, hebben een bijvoeglijke uitgang gekregen, of zijn op een ongebruikelijke manier samengevoegd.’

Het leest als een trein, maar dan wel een op hol geslagen, ontspoorde, de heuvel af denderende trein, en dat kan de Nederlandse lezer geheel op het conto schrijven van de vertaler, die er de vaart in weet te houden. Het verbaast dan ook niet dat de hoofdpersoon zich in allerwelsprekendst Nederlands in de ogen van de wereld weet samen te vatten als ‘dat kutkind, een rotjoch, kerel, gast, jochie, lul, pauper, opdondertje, zwartje, smerige indiaan, grandioze warrior, gozer, klerejoch, jongeman, illegale bonenvreter’ geheten Liborio (139). Liborio’s taaltje kenmerkt zich, legt Thunnissen uit in een online-toelichting op de site van de Amsterdamse boekhandel Athenaeum, door een ‘mix van Engels en Spaans [...], het gebruik van verzonnen woorden, en dat van normale woorden op een ongewone manier.’

De jury is vooral gecharmeerd van het feit dat Thunnissen het gevaar van sentimentaliteit, dat bij ‘stoer’ taalgebruik al snel op de loer ligt, weet te vermijden door ook de humor in ruime mate toe te laten, in zinnen als ‘Hoor eens droeftoeter, heb jij enig idee waarom dit boek vol vingerafdrukken zit?’ (17) en uitdrukkingen als ‘flatulente eikel’ (24) en ‘naaiballen’ (149), om er enkele te noemen.

Nog bijzonderder is de omstandigheid dat Thunnissen een jong en beginnend vertaler is, met een kleine maar veelbelovende staat van dienst: winnaar van een Talentbeurs master Literair Vertalen 2011, vertaler voor ‘The Chronicles’ op het Crossing Border festival 2012 en tegenwoordig docent aan de Universiteit Leiden: De cowboykampioen is haar eerste boekvertaling. De jury hoopt dat er nog vele zullen volgen en ook dat uitgevers eens wat vaker de durf en drift van beginnende vertalers gaan aanspreken.

 

Han van der Vegt voor Derek Walcott, Omeros (Bananafish)

In Omeros (1990), een postkoloniale herschrijving van de Odyssee van Homerus en tevens een ode aan zijn geboorte-eiland Santa Lucia in de Caraïben, voert Derek Walcott geen grote figuren op, maar vissers, vrijbuiters en outcasts die zonder dat ze het zelf weten vage afspiegelingen zijn van de homerische helden. Het lange, verhalende gedicht werd al in 1994, nadat Walcott in 1992 de Nobelprijs voor literatuur was toegekend, goed vertaald door de dichter Jan Eijkelboom, maar Han van der Vegt – zelf ook dichter en schrijver – geeft Omeros in zijn nieuwe vertaling een geheel eigen draai.

2018_omslag _Van Der Vegt _Omeros

Hij weet zijn lezers op poëtische wijze mee te voeren in de Caraïbische wereld van Walcott, die meandert tussen heden en verleden – inclusief verwijzingen naar de slaventijd – waarin de geur van visnetten hangt, bomen geslacht worden om tot kano te worden omgevormd en niet alleen goudmakrelen en roodbaarzen, zeeanemonen, hoornkoraal en kaurischelpen, maar ook treurduiven, glanstroepiaals en spotvogels de biosfeer bevolken. De exotische Caraïbische flora en fauna wordt door Van der Vegt heel zorgvuldig en precies vertaald en Walcotts associatieve reeks beelden en metaforen weet Van der Vegt op een verrassende manier in te vullen zodat een nieuw dichterlijk universum ontstaat.

[…] Bananenbladeren knikten in de rollende
gramschap van hanen, wier kreten gilden als rood krijt
dat heuvels tekent op een bord. De branding mopperde
net als zijn schoolmeester op zijn doelbewuste wijze
van lopen. […]

In zijn vertaling levert Van der Vegt bovendien een technisch hoogstandje door het rijmschema dat Walcott hanteert in zijn bijna achtduizend verzen tellende gedicht over te nemen. De tekst bestaat uit zeven delen die zijn opgebouwd uit 64 hoofdstukken. Elk hoofdstuk bestaat uit drie delen die op hun beurt weer bestaan uit drieregelige strofen in terza rima, dat wil zeggen dat elk rijm in de drieregelige strofen drie keer wordt gebruikt (aba bcb cdc). Van der Vegt doet dit consequent, en terwijl Walcott dit principe zelf niet overal toepast, hanteert de vertaler een lossere rijmvorm: geen volrijm zoals Walcott meestal gebruikt, maar klinkerrijm en enjambement. Dat resulteert niet in een geconstrueerd geheel, maar in vloeiende klankrijke en ritmische poëzie.

Het pidgin-Engels dat sommige personages spreken, vertaalt Van der Vegt niet letterlijk, dat zou een simplificerend effect opleveren, maar hij laat ze gewone taal spreken en dat lukt hem uitstekend. De openingszin van het gedicht ‘“This is how, one sunrise, we cut down them canoes”’ wordt bij Van der Vegt ‘“Zo gaat het als we de kano’s kappen bij zonsopgang”’. Elders lezen we: ‘“She happy, sir.”’ Dat wordt ‘“Ze is gelukkig, meneer.”’

Van der Vegt weet eindeloos te variëren op de rijke woordenstroom van Walcott – de zee komt bijvoorbeeld voor in de meest uiteenlopende variaties – ‘de slag van branding die haar witte, sissende kraag uitspreidt over het kantwerk van de ree’ – en creëert zo een eigen poëtisch idioom. De Omeros van de dichter Van der Vegt is daarom niet alleen een virtuoze vertaling, maar ook een bijzonder, opzichzelfstaand nieuw gedicht.