Kijken is lezen    29-34

Over het vertalen van beeld

Toon Dohmen

‘Er is nauwelijks een kind te vinden dat in de kleuterleeftijd, als het druk bezig is met de verwerving van zijn taal en vocabulaire, niet met rode konen en de tong uit de mond de prachtigste tekeningen maakt. […] Kleine kinderen tekenen zelden of nooit naar het leven; wat ze in beelden proberen uit te drukken is hun binnenwereld.’

Rik Smits

 

 

Het lijkt wel een natuurwet. Enthousiaste lezers houden meer van het gedrukte woord dan van het gedrukte beeld. Iedereen die graag leest gaat naar de boekhandel, slechts een deel bezoekt geregeld een stripspeciaalzaak. In dit stuk over strips ga ik terug naar de basis: wat maakt boeken met beeld voor fervente lezers kennelijk zo bijzonder, een categorie apart? Stelt het vertalen ervan speciale eisen? En valt de grens tussen kijken en lezen eigenlijk wel zo duidelijk te trekken als vaak wordt gedacht?

Aanvankelijk vroeg de redactie me of ik een essay wilde schrijven over de vertaling van graphic novels. Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer ik besefte: nee, geen goed idee. Grèffik noffuls, de term alleen al. Niet alleen vind ik het beroepsdeformatiegewijs een weinig elegant anglicisme, dat alleen aan het brein van een marketeer kan zijn ontsproten. Erger is dat het verhalen, boeiende, ontroerende, ergerniswekkende, herkenbare of als-een-steentje-in-je-schoen-knellende verhalen, onnodig in een hokje stopt, alleen omdat er beelden in voorkomen. Dat is jammer, want de grenzen tussen strips, grèffik noffuls, kunstboeken en romans-met-beeld zijn naar mijn overtuiging helemaal niet zo duidelijk te trekken. Integendeel, van die grenzen blijft weinig over zodra je bredere cultuurtheoretische vragen stelt als: Hoe weet je wat je ziet? Hoe weet je wat je leest? Hoe weet je wat je vertaalt?

Lees verder in de papieren Filter