Mijn ideale vertaalwereld    61-62

Martin de Haan

Geen enkel woord doet in boekvertalerskringen zoveel stof opwaaien als het woord ‘boekvertaler’. In mijn laatste column van dit reeksje van vier zal ik proberen uit te leggen waarom dat zo is, en waarom het niet zo zou moeten zijn.

Boekvertalers zijn mensen die boeken vertalen, zoals toneelvertalers mensen zijn die toneel vertalen en psalmvertalers mensen die psalmen vertalen. Dat klinkt logisch, maar is het niet. Om een indruk te geven van de heftige emoties die het woord kan losmaken: minstens drie keer heb ik een gerenommeerd boekvertaler (telkens een andere) horen uitroepen: ‘Het woord “boekvertaler” staat niet eens in Van Dale!’ Waarmee de personen in kwestie niet hun verontwaardiging over het ontbreken van hun beroep in het belangrijkste Nederlandse woordenboek wilden uitdrukken, maar juist hun ergernis over het gebruik van een woord dat officieel niet eens bestaat – of liever gezegd bestond, want waar de veertiende druk van de dikke Van Dale (2005) zich beperkt tot de samenstellingen Bijbelvertaler, Eddavertaler, filmvertaler, foldervertaler, musicalvertaler, Ovidiusvertaler, poëzievertaler, psalmvertaler, sonnettenvertaler en toneelvertaler, laat de vijftiende druk (2015) de Eddavertaler en de Ovidiusvertaler weg (ze staan nog wel in het online woordenboek) en voegt in plaats daarvan de boekvertaler toe. Dat heet in taalkundige termen een ‘productief woordvormingsprocedé’: het Nederlands kan met behulp van samenstellingen oneindig veel nieuwe woorden aanmaken, en als die maar vaak genoeg worden gebruikt, belanden ze in het woordenboek – denk bijvoorbeeld aan ‘kopvoddentaks’, dat ik als medewerker van Van Dale N-F dan ook subiet op mijn bord kreeg bij de jaarlijkse updating.

Lees verder in de papieren Filter