Stof, stijl en zitvlees    59-62

Arie Storm slaat aan het vertalen

Cees Koster

Een van de idées reçues over het vertalen van poëzie is dat dat het beste kan gebeuren door een dichter. De veronderstelling is dat de sensibiliteit die nodig is om het poëtische karakter van de tekst – de onverbrekelijke samenhang tussen de materialiteit van de taal, wat de lezer de tekst wil laten meegeven en wat de tekst de lezer wil meegeven – over te brengen in vertaling alleen te vinden is bij mensen die zich ook met het maken van gedichten in de eigen taal bezighouden. Als het gaat om het vertalen van literair proza hoor je die opvatting zelden, of eigenlijk nooit. De schrijver wordt daarin niet geacht een bijzondere positie te hebben. Wel kom je in besprekingen van het begrip creativiteit in verband met vertaling vaak het idee tegen dat een schrijver die proza vertaalt meer speelruimte wordt gegund en beter in staat zou zijn op een inventieve, creatieve manier tot vondsten te komen, tot niet voor de hand liggende, maar expressieve, passende oplossingen voor problematische vertaaleenheden. Daar wordt dan weer tegenover gesteld dat een dergelijke manier van creatief vertalen eigenlijk al inherent is aan het vertalen zelf. In het geding is hier de relatie tussen de handeling van het schrijven en die van het vertalen, en ook het verschil in positie tussen schrijver en vertaler.

Misschien dat de volgende vergelijking licht op de zaak kan werpen. Wat heb je nodig om een (succesvolle/goede/echte) schrijver te zijn? Stof, stijl en zitvlees, zou ik zeggen. Stof, want je moet een verhaal te vertellen hebben, een idee over te brengen, een wereldbeeld zelfs, misschien. Stijl, want je moet het vermogen hebben om de juiste, passende, overtuigende taal te vinden bij die stof. En zitvlees, het vermogen om lang stil te zitten, in afzondering bovendien, om de arbeid van het schrijven te voltrekken, die vooral ook bestaat uit het zodanig aan de onderhanden tekst schaven en slijpen, deze zodanig te polijsten, te verfijnen, dat stof en stijl perfect bij elkaar passen. En wat heb je nodig om vertaler te kunnen zijn? Het standaardbeeld wil dat dat stijl en zitvlees zijn, omdat de stof al is gegeven door het origineel. Dat is nog een ander idée reçue over het verschil tussen de schrijver en vertaler: dat de schrijver een leeg vel voor zich heeft en de vertaler een vol vel. Dat roept natuurlijk meteen de vraag op waar de vertaler zijn vertaling dan op kwijt moet. Wie zijn vertaling over het origineel heen schrijft, dat in dat geval dus door de vertaling heen zichtbaar blijft, produceert een onleesbare tekst. Het juiste beeld is uiteraard dat een vertaler een vol én een leeg vel voor zich heeft. En op dat lege vel doet hij zijn werk, dat zowel op stof als stijl betrekking heeft, want het zitvlees van de vertaler is al evenzeer nodig voor het slijp- en schaafwerk dat stof en stijl op een overtuigende manier bij elkaar moet brengen. Zo vat ik althans het adagium van Harrie Lemmens op, dat de vertaler moet verzinnen wat er staat. En dat geldt voor proza net zo hard als voor poëzie.

In het licht van het bovenstaande was ik erg benieuwd naar de vertaling door Arie Storm van de jongste roman van John Banville, The Blue Guitar, afgelopen jaar uitgekomen bij Querido onder de titel De blauwe gitaar. Storm heeft sinds 1994 acht romans gepubliceerd en is criticus voor Het Parool. Hij is een enigszins controversiële figuur omdat hij zich in zijn veelal autobiografische proza nogal eens rancuneus en badinerend uitlaat over bestaande publieke figuren en omdat hij in zijn kritieken tamelijk strenge criteria aanhoudt waarvan heel wat mensen menen dat hij daar zelf op geen stukken na aan voldoet. Als vertaler heeft hij geen groot oeuvre. Hij heeft een vertaling van H.G. Wells’ klassieker The War of the Worlds op zijn naam staan, van The Fall of Troy van Peter Ackroyd en van een aantal werken van John Banville: twee romans die deze onder eigen naam heeft gepubliceerd, naast The Blue Guitar, The Infinities (De onsterflijken, 2010), en drie misdaadromans die Banville onder de naam Benjamin Black uitbracht. Opmerkelijk zijn de vertalingen die Storm maakte van twee boeken van James Wood, de beroemde literatuurcriticus van The New Yorker: Hoe fictie werkt (2012) en Tintelingen, het lezen en schrijven van literaire fictie (2015). Op het gebied van creative writing heeft Storm bovendien zelf een boek in het Nederlands geschreven, Het schrijven van een roman: levensechte personages, overtuigende decors en beeldend taalgebruik (2014). Dat boek staat overigens vol met voorbeeldpassages uit grote buitenlandse romans… in vertaling. Op een enkele uitzondering na wordt vertaling daarbij niet geproblematiseerd. De vertaling wordt geacht volkomen samen te vallen met de oorspronkelijke tekst.

Sinds 2010 is Storm de vaste vertaler van Banville (tot dan was dat Jan Pieter van der Sterre), kennelijk omdat hij een fan is, daarvan legt hij althans in interviews getuigenis af.

Lees verder in de papieren Filter