'Een zeer ellendige overzetting' en 'een wel gemaakt Tooneelstuk'    69-77

Een laat-zeventiende-eeuwse machtsstrijd in de Amsterdamse Schouwburg

Tanja Holzhey

De Amsterdamse Schouwburg was vlak voor haar vijfjarige sluiting in 1672 het schouwtoneel van een toneelpoëticaal meningsverschil. Dit ontstond doordat het in 1669 opgerichte kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum (Nil) de smaak van het schouwburgbestuur begon te bekritiseren. De heren regenten zouden namelijk bij de samenstelling van het repertoire alleen maar inspelen op de smaak van het publiek en daarbij in het geheel geen acht slaan op de gewichtigheid en de taak van het toneel. De voorname functie van de Schouwburg was volgens Nil die van een zedenschool voor de Amsterdamse burgers. Het repertoire voldeed daar volgens hen niet aan, omdat de stukken geen eenduidige moraal verkondigden en er bovendien allerlei liederlijke dingen op de bühne werden vertoond. Getrouw aan hun leus Niets is moeilijk voor degenen die willen probeerden de leden van het genootschap daar verandering in te brengen door toneelstukken in de trant van de doctrine classique te vervaardigen. In de eerste jaren waren dat bijna uitsluitend vertalingen van barokke stukken uit Frankrijk. Deze waren in de vertalingen van Nil echter niet meer zeer barok, maar duidelijk classicistisch gekleurd. Dat hield in dat de toneelstukken slechts voor één interpretatie vatbaar mochten zijn en geen aanstootgevende elementen als geweldscènes of obsceen taalgebruik mochten bevatten. Een voorbeeld van zo’n aanpassing is het voornemen dat Nil in zijn Menaechmi-vertaling één van de hoofdpersonages (in gekuiste vorm) in de mond legt. Zo wil de overspelige Menaechmus I in de bron van Plautus aan het eind van het stuk zijn hele huisraad, inclusief zijn vrouw, verkopen om vervolgens samen met zijn zojuist teruggevonden broer terug te keren naar hun land van herkomst. In de vertaling van Nil gebeurt er iets heel anders. Hier horen we de oudere broer de jonge vermanen: ‘Ja broêr, leef metje vrouwtje eerlijk, als dat behoort.’ Waarop de jongere antwoordt: ‘Dat heb in ’t zin, en ik zal mijn best doen, dat die motkas [boordeel] voort / Van hier, en de hoer in ’t spinhuis raakt’. Deze opmerkingen zijn conform de huwelijksmoraal maar komen niet overeen met die uit de brontekst. Het personage uit de vertaling van Nil toont immers berouw van zijn echtelijke ontrouw en doet uit de doeken welk lot hij in gedachten heeft voor zijn minnares, een dame van lichte zeden, en de amoraliteiten overspel en prostitutie krijgen er op die manier ook van langs. Dergelijke fundamenteel inhoudelijke veranderingen van toneelstukken duiden erop dat er toentertijd andere conventies voor het vertalen van dramatische literatuur heersten dan nu het geval is.

Lees verder in de papieren Filter