Schrijvers vertalen Shakespeare    13-19

Nieuwe vertaalpolitiek in Latijns-Amerika

Laura Calabrese
Vertaling: Ilse Logie

Perifere talen en literaturen
Volgens de polysysteemtheorie houdt vertalen niet alleen verband met de boekenmarkt, maar ook met de markt der talen of, juister gezegd, met de machtsverhoudingen die tussen talen bestaan. De positie van talen kan worden afgeleid uit de plaats die ze bekleden op de wereldmarkt der vertalingen: centrale talen fungeren hier overwegend als brontalen waaruit vertaald wordt, semi-perifere of perifere talen brengen vooral vertalingen voort en zijn dus in de eerste plaats doeltalen. Er bestaat een duidelijke verhouding tussen de wereldmarkt der vertalingen en de nationale boekenmarkt, die de vertaalwetenschapper Anthony Pym als volgt heeft verwoord: hoe meer boeken er in een bepaalde taal verschijnen, des te meer worden er uit deze taal vertaald en des te minder in deze taal. Ook de onderzoeker Johan Heilbron verwijst hiernaar, wanneer hij opmerkt dat het proces van literaire canonisering in toenemende mate wordt bepaald door de plaats die een bepaald werk op de wereldmarkt inneemt, en dat de auteurs die het bekendst zijn in hun eigen cultuur niet toevallig het vaakst in centrale talen vertaald zijn. Uiteraard hangt de verhouding waarin talen op de vertaalmarkt tegenover elkaar staan af van historische factoren, en kan een taal die op een bepaald ogenblik – het Frans tot de negentiende eeuw – als centraal wordt beschouwd terrein verliezen tegenover een taal in opmars – het Engels vandaag de dag.

Daarom is het van belang te wijzen op het feit dat literaturen niet enkel en zelfs niet in de eerste plaats bepaald worden door de taalgebieden waar ze voorkomen, maar veeleer door hun ligging en de historische rol die ze hebben gespeeld. In een continent als Europa zijn op die manier centrale, semi-perifere en perifere talen tot ontwikkeling gekomen, terwijl dit niet belet dat we blijven spreken over een ‘Europese literatuur’. In Latijns-Amerika zijn, ondanks het verschil in aantal sprekers, het Spaans en het Portugees de twee centrale talen, en dit op grond van de evenwichtige plaats die ze in het literaire systeem van het subcontinent innemen. Als we kijken naar talen zoals het Spaans, die op meerdere plaatsen in de wereld worden gesproken, over meerdere landen verspreid, en die meerdere literaturen hebben voortgebracht, wordt het beeld gecompliceerd. Hier gaat het er niet om dat centrale talen met perifere talen in competitie treden, maar dat verschillende varianten van één taal om erkenning strijden. De positie die elk van deze varianten op de markt der talen verwerft, houdt een bevestiging in van de hiërarchische werking van het literaire systeem. Niet de sterkte van de Spaanse literatuur (ten opzichte van de Spaans-Amerikaanse literaturen) heeft er bijvoorbeeld voor gezorgd dat Spanje zo hoog scoort op de vertaalmarkt, maar wel het overwicht van Spanje in de uitgeverswereld. Dit overwicht maakt het mogelijk de Iberische variant op te dringen als dé standaardtaal bij uitstek, waaraan alle taalvarianten afgemeten worden. Elke vertaling die door een Spaanse uitgeverij wordt verspreid, of die nu door een Spaanse dan wel een Spaans-Amerikaanse vertaler werd gemaakt, moet aan die norm beantwoorden. Deze fictieve standaardtaal, waarmee op de vertaalmarkt wordt geschermd, is de taal van Madrid, omdat daar nu eenmaal de meeste uitgevers gevestigd zijn. Dat het hier om een constructie gaat, blijkt bijvoorbeeld uit de grote onderlinge verschillen tussen de taalvarianten die alleen al op het Iberisch Schiereiland worden gesproken.

Lees verder in de papieren Filter