Vertaaldag  Archief

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

Afstand en nabijheid

Uwe Timms Vogelweide in vertaling

Hilde Kugel

‘Is het na Goethe, Tolstoj, Flaubert en Fontane nog mogelijk om een roman over overspel te schrijven?’1 vraagt Maike Feßmann zich af in haar recensie van Vogelweide, de voorlaatste roman van de Duitse schrijver Uwe Timm, in het Nederlands in 2014 verschenen onder de titel De macht van begeerte.2 De auteur van onder meer De ontdekking van de curryworst bewijst dat het antwoord op deze vraag ‘ja’ luidt.

Hoofdpersoon Christian Eschenbach vertrekt naar een onbewoond eiland voor de kust van Hamburg om als vogelwacht te werken. Daar, in zijn eenzame hut, passeert alles wat hem is overkomen de revue: de ondergang van zijn ooit zo succesvolle softwarebedrijf, het op de klippen lopen van zijn relatie met Selma, maar vooral ook zijn affaire met Anna, een getrouwde vrouw. Als Anna hem op een dag opbelt met de vraag of hij haar terug wil zien, komen al Eschenbachs herinneringen weer boven. Anna heeft hem verlaten, haar geweten heeft het uiteindelijk gewonnen van de begeerte. Ze is naar Amerika vertrokken en haar man Ewald heeft een relatie gekregen met Selma, die, inderdaad, eerst samen was met Eschenbach.

18_06_Scharhörn vanuit de lucht

Scharhörn, het eiland waar Eschenbach verblijft, met middenin het vogelwachtershuis

Behalve dit overspelthema, dat sterk doet denken aan Goethes roman Die Wahlverwandschaften, is er nog een interessante vorm van intertekstualiteit, namelijk de verwijzing naar Wagners opera Tannhäuser.3 De titel van het boek, Vogelweide, en de naam van de hoofdpersoon, Eschenbach, die consequent alleen bij zijn achternaam wordt genoemd, refereren aan Wagners personages Wolfram von Eschenbach en Walther von der Vogelweide, twee middeleeuwse minnezangers. Dat er niet voor is gekozen om in het Nederlands dezelfde titel aan te houden is logisch, want er kan niet zomaar verondersteld worden dat de Nederlandse lezer deze verwijzing kan plaatsen.4 Het gekozen Nederlandse alternatief noemt Michel Krielaars desondanks een ‘boeketreekserige titel’,5 maar hij is ook weer niet helemaal uit de lucht gegrepen, want op de achterflap van het origineel staat ‘Über die Macht des Begehrens’. Toch wordt er in de vertaling van de titel een klein verlies geleden: de verwijzing naar de vogels die Eschenbach op het eiland omringen verdwijnt.

De roman heeft nog een ander stilistisch kenmerk, dat op het eerste gezicht een stuk minder opvalt en met name interessant is omdat het voor het talenpaar Duits-Nederlands een heel specifiek vertaalprobleem oplevert. Het gaat om het gebruik van de Konjunktiv I, die wij de aanvoegende wijs zouden noemen en die vooral in de Duitse media gebruikt wordt om iemands uitspraken in de indirecte rede weer te geven en daarmee ook een bepaalde afstand tot die uitspraken te creëren. In deze roman resulteert ze in een afstand tussen Anna en Eschenbach, terwijl zij zich juist zo tot elkaar aangetrokken voelen.

Timm gebruikt niet standaard de indirecte rede, maar wisselt in zijn dialogen steeds af. Een voorbeeld: Anna is aangekomen op het eiland, dat alleen met paard en wagen te bereiken is, en vertelt over de boer die haar gebracht heeft. Ze was iets te laat, dus had hij wat tegengesputterd: ‘Ich habe ihn gesagt, es ist wichtig. Er aber habe sie angesehen, an der Pfeife kauend, und nur den Kopf geschüttelt’. (286) De onderstrepingen markeren de twee verschillende vormen: in de eerste zin worden Anna’s woorden direct weergegeven, in het begin van de tweede zin worden haar woorden niet letterlijk weergegeven (dan had er ‘er hat mich angesehen’ [hij keek me aan] gestaan), maar wordt in plaats daarvan in de Konjunktiv I beschreven wat ze gezegd heeft. Julia Schöll omschrijft Timms gebruik van de Konjunktiv I als: ‘So-könnte-es-gewesen-sein’ [zo-zou-het-geweest-kunnen-zijn],6 en precies daarin schuilt de afstand: het is net alsof Eschenbach Anna niet helemaal op haar woord kan of wil geloven.

18_06_Vogelwachtershuis

Omdat deze vorm in het Nederlands niet (meer) op deze manier gebruikt wordt, zal de afwijkende Duitse werkwoordvervoeging sowieso niet meer herkenbaar zijn in de vertaling. Het is daarom interessant om te onderzoeken hoe Bussink, die al meerdere werken van Timm vertaalde en in 2015 voor deze vertaling de Straelener Übersetzerpreis ontving, is omgegaan met de afwisseling tussen de verschillende werkwoordsvormen in de dialogen, die maakt dat er constant met de afstand tussen de personages wordt gespeeld. Ik beperk me hiervoor tot de analyse van een aantal dialogen tussen Eschenbach en Anna.

Onderstaande passage beschrijft het eerste tête-à-tête tussen hen. Anna is lerares kunstzinnige vorming, en zo komt het gesprek op schilderen (de werkwoordsvormen waar het om gaat zijn weer onderstreept):

Nee, ze had vroeger geschilderd, maar algauw gezien dat ze niet genoeg talent had. (…) Anna had een vriendin die schilderde (…). Ze heeft zeeën van vrije tijd. Ze zit of staat schilderijen van Cézanne te kopiëren. (…) Ze kladdert maar wat aan. Tijdverdrijf. Dat wilde ik niet, dat in geen geval. Je moet je eigen ontoereikendheid kennen en geen pijnlijke dingen doen. (105-106)

Nein, sie habe früher gemalt, aber bald erkannt, dass ihr Talent nicht ausreiche. (…) Eine Freundin (…) male, ausgestattet mit unbegrenzter Freiheit. Die sitzt oder steht und kopiert Bilder von Cézanne. (…) Sie sitzt und pinselt. Zeitvertreib. Das wollte ich nicht, genau das nicht. Das Empfinden für das eigene Ungenügen ist die Voraussetzung, dem Peinlichen zu entgehen. (114)

Geruisloos gaat Timm van de indirecte rede over naar de directe rede. Net als de voortdurende reizen door de tijd die Eschenbach in zijn gedachten maakt, vraagt dit de nodige concentratie van de lezer, die zich steeds af moet vragen wie er precies aan het woord is. Dit wordt nog versterkt doordat Timm nergens aanhalingstekens gebruikt. Net als in de brontekst wordt de overgang in de vertaling wel impliciet aangeduid: ‘Anna had een vriendin die schilderde. (…) Ze heeft zeeën van tijd.’ Dat wat in de verleden tijd staat, is een parafrase van wat Anna gezegd heeft (zoals dat in het Duits met de Konjunktiv I gebeurt), de zin in de tegenwoordige tijd een letterlijke weergave van haar woorden. Ook in de Nederlandse tekst wordt het verschil dus door middel van de vervoeging van het werkwoord aangegeven. Interessant is overigens dat Bussink hier op twee plaatsen expliciteert: hij gebruikt in het begin ‘Anna’ in plaats van ‘sie’ en schrijft ‘Anna had een vriendin die schilderde’, waar er in het Duits staat ‘Eine Freundin male’ [een vriendin schilderde].

18_06_Vogels op Scharhörn

Vogels op Scharhörn

Het komt ook een paar keer voor dat Timm alleen de directe rede gebruikt. Dit zijn de dialogen op het scherpst van de snede. Als Eschenbach het waagt om aan Anna te vragen wat ze toch de rest van haar leven met Ewald moet, reageert ze furieus: ‘Je gaat hem niet beledigen. Waar haal je het recht vandaan zo over hem te praten?’ Ze rent het huis uit, terwijl Eschenbach haar nog tegen probeert te houden: ‘Blijf, het spijt me, blijf’. (170) Timm gebruikt hier de directe rede, net als in een van de sleutelpassages in het boek, als Anna het bijna uitschreeuwt: ‘Het is uit. Het moet. Alsjeblieft. Ik kan niet meer. Ik wil niet meer. Laat me’. (177) Timm zet de directe rede hier heel bewust in en het effect mag er zijn: in deze passages kruipen de personages pas echt onder je huid.

Welk effect heeft Bussinks omgang met de Konjunktiv I op de vertaling? De afstand die de Duitse lezer onmiddellijk zal voelen, is in de vertaling misschien minder sterk aanwezig, maar Bussinks keuze is goed te begrijpen en bovendien is het de vraag of er überhaupt een alternatief is. Als je als vertaler de aanvoegende wijs uit de brontekst constant expliciet terug wil laten komen, zou er een onleesbare brontekst ontstaan, vol toevoegingen als ‘volgens hem/haar’ of werkwoordsconstructies met ‘zou’. Bussinks oplossing is een stuk eleganter en zorgt er bovendien voor dat ook in de vertaling de nuance verscholen blijft in de grammatica. Om die reden zou ik deze strategie zeker geslaagd willen noemen. Bussink in bovendien consequent in zijn vertaalstrategie, slechts een enkele keer verandert hij de indirecte rede in de directe rede of voegt hij een van bovenstaande constructies toe.

Ik wil eindigen met een zin uit het boek, die in haar oorspronkelijke context niets met taal of vertaling te maken heeft, maar met de relatie tussen een man en een vrouw. Toch sluit ze ook prachtig aan bij de relatie tussen brontekst en vertaling: ‘Het is de prettige afstand die ons bindt’. (283)



1: Feßman, Maike. ‘Ehebruch und Einöde’, in: Der Tagesspiegel, 24-08-2013. 

2: Uit het Duits vertaald door Gerrit Bussink. Amsterdam: Uitgeverij Podium, 2014. Oorspronklijk verschenen als Vogelweide bij Kiepenhauer & Witsch, 2013.

3: Krielaars, Michel. ‘Een paardenstaart die begeerte wekt’, in NRC Handelsblad, 27-06-2014.

4: Spits, Jerker. ‘Klassieke huwelijksmoraal’, in:: De Groene Amsterdammer, 27-05-2014.

5: Krielaars, Michel. ‘Een paardenstaart die begeerte wekt’, in: NRC Handelsblad, 27-06-2014

6: Schöll, Julia. 2006. ‘“Chaos und Unordnung zugleich“- zum intra- und intertextuellen Verweissysteme in Uwe Timms Erzähltexten’in: Finlay, Frank en Ingo Cornils (red.). “(Un-)erfüllte Wirklichkeit“. Neue Studien zu Uwe Timms Werk. Würzburg: Verlag Köningshausen und Neumann, p. 139

 

 

Hilde Kugel (1993) studeerde Duitse Taal en Cultuur in Utrecht en Münster en volgt momenteel de Master Literair Vertalen aan de Universiteit Utrecht. Daarnaast werkt ze dit collegejaar als onderzoeksassistent van Cees Koster en verzorgt ze colleges in de cursussen Vertalen en Vertaalwetenschap en Het veld van de literaire vertaling.