Vertaaldag  Archief

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

Besluitvorming voor vertalers: een stoomcursus

Leen Van Den Broucke

Verleden week vonden in Amsterdam de 19de Literaire Vertaaldagen plaats, in de Rode Hoed en in de klaslokalen van het Montessori Lyceum. Een van de workshops was gewijd aan ‘schrijven over vertalen’. Er werd ook geoefend op het genre vertaalcolumn. Leen Van Den Broucke geeft een proeve van wat daar uitkwam.

 

‘Na lang aarzelen tussen patat en ijs koos hij dropkauwgum.’
Annie M.G. Schmidt, Tante Patent, 1962

Vertalen is eigenlijk simpel. Eerst zoek je zo veel mogelijk synoniemen en mogelijkheden bij elkaar, daarna kies je daar de minst slechte uit. Dat noemen we het wybertjesmodel:

17.50_illustratie1Daarbij staat de linkerhelft van het wybertje (<) voor het creatieve werk van opties verzinnen en verzamelen, die je in de rechterhelft, door het kritisch afwegen van prioriteiten, moet terugbrengen tot die ene oplossing waarmee je wél kunt leven (>). 

Je gebruikt in je vertaling namelijk alleen het topje van de ijsberg aan betekenissen en connotaties die het woord of de uitdrukking uit het origineel buiten die context zou kunnen hebben. Niet meer dan een deel van die mogelijkheden is ‘gerealiseerd’ in jouw brontekst. De betekenis krijgt dus vorm door de context: de zin, de alinea, het boek, de wereld.

17.50_illustratie2

De twee helften van het wybertje – laten we ze de linker- en de rechterhemisfeer noemen – bijten elkaar. Links is associatief en creatief, zonder te oordelen, en trekt zich van regeltjes, realisme of de echte wereld niks aan. Rechts is de kritische, analytische scherpslijper die al je fraaie vondsten genadeloos neersabelt. 

Die twee, de vrije vogel en de letterknecht, kunnen niet met elkaar door één deur. Het is het centrale dilemma van de vertaler: je kunt niet zonder je taalgevoel, dat je de ruimte moet geven om vrij te associëren, maar ondertussen moet je het voortdurend wantrouwen. Tegelijkertijd kritisch en creatief zijn is tegennatuurlijk, zo zitten onze hersenen niet in elkaar. En toch heb je beide vaardigheden nodig als je vertaalt.

De oplossing ligt voor de hand: hou ze uit elkaar. Maak verschillende versies, de ene met je creatieve bril op, de andere met je kritische pet op. Ga net zo lang heen en weer tussen de twee polen tot je hersenhelften allebei tevreden zijn.

In de creatieve versie probeer je vrij te associëren, zo nodig hardop of op papier. Je gaat even naar buiten of naar de wc als er niet meteen een vondst komt. Je legt je vertaalprobleem uit aan iemand anders, of desnoods aan jezelf; alleen al door het te formuleren vind je soms de oplossing. En vergeet niet dat de keuze tussen twee onvolmaakte mogelijkheden tot een derde, betere vertaling hoort te leiden (terug naar de linkerhelft van het wybertje). Vertaalduo’s weten maar al te goed dat de kortste uitweg uit een onmogelijke keuze de derde weg is.

De spontane inval is trouwens overroepen. Creativiteit is een stuk minder exclusief dan vaak wordt gedacht. Creatievere mensen verzinnen hoogstens gemiddeld meer oplossingen – waar vanzelf dus ook meer goede oplossingen tussen zullen zitten. Hun wybertje is met andere woorden hoger. Maar al die andere vondsten zijn net zo onbruikbaar als het eerste wat in hun hoofd opkwam.

Spontane creativiteit is leuk, maar de associatieve werking van het geheugen kun je trainen. En stug door blijven zoeken naar de oplossing die steeds net buiten beeld blijft, leidt vaak tot een minstens zo goede ‘vondst’.

Voor de kritische helft moet afstand worden gecreëerd, de beroemde ‘frisse blik’. Dat kan door je vertaling te laten liggen. Als dat niet lukt, is hardop voorlezen een mogelijkheid, of afdrukken en op papier nalezen, of alleen maar in een ander lettertype zetten. Of je kunt de frisse blik helemaal uitbesteden aan een meelezer.

Vertalers denken nog wel eens van zichzelf dat ze niet kritisch genoeg zijn, terwijl ze eigenlijk te weinig mogelijkheden hebben overwogen in hun eerste versie. Dan staat het eerste wat in ze opkwam al zo pontificaal zwart op wit dat ze er niets meer aan durven te veranderen.  

Als je dat wilt vermijden, moet je ervoor zorgen dat je wybertje niet te plat wordt. Dit is geen goede eerste versie: 

17.50_illustratie3

Er is ook een manier om zowel spontane invallen te stimuleren als je eigen vertaling van een afstand te bekijken, en zo de eeuwige strijd tussen die twee te omzeilen. Dat kan door je in te leven in het origineel. Ook bekend als de holistische methode:

17.50_illustratie4

Daarbij verplaats je je in de tekst, met medeneming van al je ‘lezersbagage’: kennis van de wereld, levenservaring, taal- en tekstgevoel (maar ook je gevoelsleven). Ondertussen hou je voortdurend de context in je achterhoofd. Je inleven kan namelijk ook betekenen: een stapje terugzetten, de situatie voor je proberen te zien en de inspiratie laten stromen.

17.50_illustratie5 

Als je dat doet, zet je de associatiemachine die je hersenen zijn in gang (= creatief) en merk je ook veel sneller waar iets ‘scheef’ zit (= kritisch). Zo wordt het een stuk makkelijker om zowel oplossingen te vinden als te verwerpen. Soms zelfs tegelijkertijd.

Zo’n stapje terug is trouwens wel vaker nuttig: de oplossing voor je vertaalprobleem ligt niet zelden in de onmiddellijke context. Opnieuw ga je heen en weer, alleen niet meer tussen kritisch en creatief, maar tussen het micro- en macroniveau van de tekst. 

Waarom al die moeite? Omdat je wilt dat je vertaling leest als ‘natuurlijke taal’, geproduceerd door een schrijver met jouw taal als moedertaal. Er zijn behoorlijk wat kunstgrepen nodig om van de constructie (en reconstructie) die je vertaling in feite is een geloofwaardig, organisch geheel te maken.

 

Leen Van Den Broucke vertaalt sinds 2004 uit het Engels en Italiaans. Sinds 2015 geeft ze ook workshops literair vertalen Engels-Nederlands aan het postgraduaat Literair Vertalen van de KU Leuven, campus Antwerpen.