Vertaaldag  Archief

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

De rode anjer

Een vergeten parel uit fascistisch Italië

Emilia Menkveld

In oktober 2015 ontving ik een briefje van Christoph Buchwald, de uitgever van Cossee voor wie ik sinds mijn studietijd leesverslagen over Italiaanse literatuur schrijf:

Kan het zijn dat Il garofano rosso van Elio Vittorini – inmiddels een
moderne klassieker – nooit in het Nederlands vertaald is? Ik kan het tenminste nergens vinden. Heb jij een idee?

Dat had ik niet. De voortreffelijke DBNL-bibliografie van Italiaans-Nederlandse vertalingen gaf diverse titels van Vittorini, voornamelijk uit de jaren vijftig en zestig, maar deze vroege, in Italië toch vrij bekende roman stond er niet bij.

Vitto 3

Best opmerkelijk, voor een auteur die daar geldt als een van de literaire grootheden uit de twintigste eeuw. Als Nederlanders überhaupt van Elio Vittorini hebben gehoord, kennen ze hem meestal van de allegorische roman Conversazione in Sicilia (Gesprek op Sicilië) uit 1941, waarin de hoofdpersoon na jaren terugkeert naar het archaïsche, bijna mythische eiland uit zijn jeugd voor een bezoek aan zijn oude moeder. Na een eerste Nederlandse vertaling uit 1950 door Nico Rost (met een voorwoord van Henriette Roland Holst) volgde in 1990 een tweede uitgave bij Athenaeum-Polak & Van Gennep in de vertaling van Eric Moormann. Het werk vormt beslist een van de hoogtepunten uit Vittorini’s oeuvre, vooral door de rijke, zinderende taal – een taal die je ook in zijn romandebuut Il garofano rosso al proeft.

Tot mijn vreugde besloot Cossee dat Vittorini’s werk nieuw leven verdiende in Nederland, en zo kon ik de dag na het inleveren van mijn masterscriptie aan de slag met de vertaling van Il garofano rosso (De rode anjer). 

Vitto 1

In 1933 en 1934 publiceerde Vittorini Il garofano rosso in feuilletonvorm – zoals wel vaker in die tijd – in het literaire tijdschrift Solaria. Pas in 1948 mocht het in boekvorm verschijnen door problemen met de fascistische censuur, die de expliciete erotische beschrijvingen afkeurde. De – flink gekuiste en herwerkte – boekuitgave voorzag de auteur van een uitgebreid voorwoord, waarin hij verantwoordt waarom het boek vol fascistisch engagement ook ná zijn radicale breuk met de stroming publicatie verdiende. (In 1942 had Vittorini zich aangesloten bij het antifascistische verzet en na de oorlog was hij enkele jaren actief in de Italiaanse communistische partij.)

Het zijn niet alleen de literaire kwaliteiten die Il garofano rosso zo aantrekkelijk maken, de roman is ook een prachtig tijdsdocument. De 16-jarige Alessio woont in een studentenpension in een kustplaatsje op Sicilië (dat veel weg heeft van Vittorini’s geboortestad Syracuse). Het is 1924, Mussolini is net twee jaar aan de macht en voor Alessio en zijn schoolvrienden staat het fascisme voor alles wat nieuw en opwindend is: revolutie, geweld, ‘een verlangen naar oorlog en trompetgeschal’. Een vitale jongerenbeweging, heel anders dan het dictatoriale regime dat we kennen uit de oorlogsjaren. Alessio vindt het allemaal prachtig, doet enthousiast mee met de ‘zwarthemden’ – eerder uit een hang naar avontuur, lijkt het, dan uit een diepere ideologische overtuiging.  

In de liefde is Alessio dolende. Na een hevige verliefdheid op de scholiere Giovanna, die hem een rode anjer schenkt en dan uit zijn leven verdwijnt, valt hij voor de beeldschone prostituee Zobeida, bij wie hij de lichamelijke liefde ontdekt. Het liefst zou hij willen dat Zobeida ‘op de een of andere manier ook Giovanna was’, zou hij de madonna en de hoer in één vrouw verenigd zien. Een recept voor teleurstelling.

Hoe kon ik de wereld van deze puber in fascistisch Italië geloofwaardig overbrengen op mijn beoogde publiek? In een boek vol jongenstaal, scheldwoorden en bijnamen, vol verwijzingen naar een historische context waarmee Nederlandse lezers niet altijd even vertrouwd zijn.

Vooral bij dat laatste was de wijze raad van literair vertaler Frans Denissen onmisbaar, wiens hulp ik mocht inroepen dankzij een Talentbeurs van de Master Literair Vertalen. Hij liet me zien hoe ik de lezer tegemoet kon komen zonder mijn toevlucht te nemen tot voetnoten of al te uitleggerige vertalingen. Zo is ‘l’affare Matteotti’ in het Nederlands ‘de moord op Matteotti’ geworden en houden de leden van de zogeheten Soldino-beweging in mijn vertaling ‘antifascistische’ toespraken – een bijvoeglijk naamwoord dat in het Italiaans ontbreekt.

Bij de jongenstaal en de scheldwoorden was de belangrijkste voorwaarde: het mocht niet te modern klinken. Het leverde zeker twee ‘schoften’, wat ‘smiechten’ en een paar ‘schurken’ op. Een ‘vlegel’ moest op het laatste moment sneuvelen: dat klonk net iets te kinderlijk. De smidse annex drukkerij waar Alessio zijn vrienden ontmoet heet in het Italiaans ‘la cava’: een donkere, gewelfde ruimte waar aambeelden staan en de vonken in het rond vliegen. ‘Het hol’, heb ik die gedoopt, in de hoop dezelfde, wat duistere associaties op te roepen. En de lerares die alleen maar magere cijfers uitdeelt, ‘la Sempresei’ (letterlijk: Altijd zes), werd in het Nederlands ‘de Zesjeskoningin’.

Vitto2

De afstand tussen mij en de auteur bleek er uiteindelijk niet eens zoveel toe te doen. Is vertalen niet altijd het slaan van bruggen naar andere talen, culturen en eventueel tijden? Bovendien druk je als vertaler altijd je stempel op een tekst – of je nu ver van de auteur afstaat of niet. Je ontkomt niet aan je eigen woordkeuze, je neiging tot bepaalde zinsconstructies en vertaaloplossingen. Zo zul je in mijn vertalingen niet gauw woorden als ‘echter’ of ‘aangeven’ (in de betekenis van ‘zeggen’) vinden, omdat ik die nu eenmaal niet mooi vind en ook nooit in mijn eigen teksten zou gebruiken. De oorspronkelijke auteur dicteert de stijl, en natuurlijk dien je die zo goed mogelijk na te bootsen, maar een vertaler is ook altijd een schrijver, die zijn eígen stijl moet inzetten, kneden en bijschaven.

In De rode anjer klinkt dat zo:

Het hol was niet alleen de werkplaats, maar ook dat specifieke uur van de dag, tussen duisternis en brandende lampen, het stond ook voor al die steegjes daar in de buurt waar op dat uur geheimzinnig hoefgetrappel weerklonk, en ook voor alles wat we elkaar daarbinnen te zeggen hadden, knabbelend op gedroogde kastanjes, over vrouwen, over landstreken, over stokslagen, over vliegtuigen en auto’s, over voetbal, over boeken en over de toekomst. Dat was wat ons met elkaar verbond.

 

Emilia Menkveld is literair vertaler, recensent en redacteur van Filter. Ze studeerde klassieke talen en Italiaans (UvA) en voltooide de master Literair Vertalen (UU). Ontvanger van een door het Nederlands Letterenfonds gesubsidieerde Talentbeurs Literair Vertalen en de Nella Voss-Del Marprijs voor jonge vertalers. Onlangs verscheen haar eerste romanvertaling, De rode anjer van Elio Vittorini (Cossee).