Vertaaldag  Archief

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

Een maat voor niets

Isabelle Bambust

‘Reproduceren’, het opnieuw voortbrengen en weergeven, bijvoorbeeld van andermans originele muzikale creatie, is een vorm van ‘vertalen’. Omgekeerd is een ‘vertaling’ (in de eigenlijke betekenis van het woord) ook een reproductie. Reproduceren gebeurt niet altijd probleemloos. Het originele werk moet met zijden handschoenen aangepakt worden. Met het volgende voor mij ontroerende en uit het leven gegrepen voorbeeld, wil ik daar graag de aandacht op vestigen.

Op de vooravond van Valentijnsdag 2017 heb ik luitles. Ik oefen ‘Recercar decimo’ van Vincenzo Capirola. Het uitmuntende en erg aan te raden luitmethodeboek van mevrouw Pascale Boquet, uitgegeven door de Société Française de Luth ligt open op bladzijde 107.1 Mevrouw Boquet is de samensteller van het methodeboek, maar zij is tevens voorzitter van de Société Française de Luth.

 Bambust1 (1)

Op die bladzijde wordt een fragment gereproduceerd van een oud luitboek van de hand van Capirola (https://www.newberry.org/capirola-lute-manuscript). Dat boek dateert van circa 1517.

Dit is wat ik in mijn luitmethodeboek vind:

 Bambust2

De reproductie bevat geen kleur. En het is alsof de vogel onderaan in de linkerhoek een regelrechte noodlanding heeft gemaakt om naderhand met zijn hoofd in de grond te boren. Een andere vogel, iets hoger in de linker marge, werd onthoofd.

In het originele boek staat dit aandoenlijke plaatje:

 Bambust3

Hier word ik overweldigd door de grandioze mooi ingekleurde tekeningen. Er is ook geen sprake meer van enige noodlanding of onthoofding. En hoe warm wordt mijn hart niet bij het zien van die didactische inkleuring van de onderscheiden ritmes: de achtste noten – met één vlaggetje – in rood, en de zestiende noten – met twee vlaggetjes – in het mauve. Maar dit is niet alles, want op de eerste bladzijde van het oude boek komt mijnheer Vidal aan het woord. Er staat in die eerste Italiaanse zinnen te lezen:

Considerando io Vidal che molte divine operete per ignorantia deli possessori si sono perdute, et desiderando che questo libro quasi divino per me scrito perpetuamente si conservase, ho volesto di così nobil pictura ornarlo, acio che venendo ale mano di alchuno che manchasse di tal cognitione, per la bellezza di la pictura lo conservasse [...].

Bambust4

[Mijn vrije vertaling: Aangezien ik, Vidal, overweeg dat vele goddelijke werken al zijn verloren gegaan door de onwetendheid van hun houders, en aangezien ik wens dat dit bijna goddelijke boek eeuwig zou bewaard blijven, heb ik het met zo nobele tekeningen willen versieren dat als het boek in handen zou komen van een persoon die de inhoud ervan niet vat, die persoon het omwille van de schoonheid van de tekeningen bewaart.]

Nu de betrokken reproductie op bladzijde 107 helemaal geen rekening houdt met de schoonheid van de illustraties, wordt dit mooie argument van Vidal als het ware verpulverd. Het wordt een maat voor niets…

Door die erbarmelijke reproductie lees ik nu ook ‘tussen de regels’: ‘Wij luitisten weten waarover het gaat, en we kunnen de illustraties dus gewoon aan onze laars lappen…’ Toch gaat een dergelijke reproductie helemaal niet automatisch vrijuit.

Klassiekgewijs worden de auteursrechten opgedeeld in vermogensrechten (bijv. reproductierechten) en morele rechten. De morele rechten beschermen het werk tegen een eventuele grove aantasting van het origineel. Zowel de vermogensrechtelijke als de morele rechten zijn meestal tijdsgebonden. Het staat de nationale rechtssystemen echter vrij om in een ruimere bescherming te voorzien. En dit is nu precies wat in het Franse recht voor de morele intellectuele rechten is gebeurd. In artikel 121-1 van de Code de Propriété Intellectuelle (CPI) lezen we het volgende: ‘L'auteur jouit du droit au respect de son nom, de sa qualité et de son œuvre. Ce droit est attaché à sa personne. Il est perpétuel, inaliénable et imprescriptible. Il est transmissible à cause de mort aux héritiers de l'auteur. L'exercice peut être conféré à un tiers en vertu de dispositions testamentaires.’ Het morele auteursrecht blijft dus naar Frans recht eeuwig bestaan. Wel kan een werk sowieso, maar mits vermelding van de bron, altijd vrij gebruikt worden voor pedagogische en wetenschappelijke doeleinden (zie het artikel 122-5 CPI), maar dit wil niet zeggen dat de morele auteursrechten niet zouden nageleefd moeten worden.

Theoretisch gezien zouden de nazaten van Vincenzo Capirola – en er zijn in Italië nog personen met die familienaam – hun beklag kunnen doen over een dergelijke Franse uitgavepraktijk. Italië én Frankrijk zijn dus in het spel. Zaken met dergelijke grensoverschrijdende aanknopingspunten vallen onder de toepassing van het Internationaal privaatrecht. Dat laatste rechtsdomein zoekt eerst naar welke rechter in de zaak bevoegd kan zijn, en naderhand ook naar welk nationaal recht die rechter dan moet toepassen. De Capirola’s zouden hier zeker een procedure in Frankrijk kunnen inleiden. De betrokken Franse uitgever, met name l'Association ‘Société Française de Luth’ en de samensteller van het methodeboek zouden perfect voor de Franse rechter kunnen worden gedaagd, en dit op grond van de Europese Verordening nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Het Internationaal privaatrecht duidt algemeen gezien (als de eerste natuurlijke bevoegde rechter) de rechter aan van het land waar de partij (die voor de rechter wordt gebracht) woont of haar zetel heeft.  Welk recht zal de Franse rechter dan moeten toepassen? Ook daar kunnen we in Frankrijk blijven en het hierboven besproken Franse recht toepassen, en dit op grond van de Europese Verordening nr. 864/2007 van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen. Artikel 8.1 handhaaft voor de inbreuk op intellectuele eigendomsrechten het algemeen erkende beginsel lex loci protectionis: ‘De niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, wordt beheerst door het recht van het land waarvoor de bescherming wordt gevorderd.’

Zonder deze zaak overdreven op de spits te willen drijven, is het toch vermeldenswaardig dat het Franse recht een oneerbiedige reproductie ook aan een strafrechtelijke sanctie verbindt (drie jaar gevangenisstraf en een geldboete van 300.000 €)... Voor mij blijft de essentie echter dat, zelfs bij een gebrek aan het bestaan van een juridisch moreel recht (wat hier niet het geval is, want er is in het Franse recht dus wel degelijk sprake van een juridisch afdwingbaar moreel recht), men daarom niet tot een oneerbiedig optreden ten aanzien van andermans creatie moet overgaan… Niets belet om respect voor andermans werk op te brengen, en wel als een soort van ‘natuurlijke verbintenis’ (dit is een morele verplichting die in principe niet juridisch afdwingbaar is).

Doch, de samensteller van het methodeboek die ik heb gecontacteerd, heeft een ander standpunt. Allereerst verschuilt zij zich achter het feit dat een reproductie in kleur  – u raadt het zelf al – tot een meerkost zou leiden. De onthoofde vogels zouden te wijten zijn aan het scanproces of aan de manier van inbinden. En als kers op de taart geeft de samensteller aan dat de muziek zelf intact is, en dat dit voor een pedagogisch werk het allerbelangrijkste is. Ook stelt zij zich in de plaats van Capirola door te zeggen – ik vertaal eventjes vrij – ‘dat  Capirola blij zou zijn dat de kopers van het methodeboek plezier kunnen vinden in de muziek, met of zonder vogels…’

De woorden ‘met of zonder vogels’ vormen een steek door mijn hart. Ik blijf zestiende eeuwse tranen laten, en ik schrijf de volgende zingbare tekst op ‘Recercar Decimo’:

Capirola spreekt

Heil! Lieve lui-uitspelers mijn,
laat mij spreken tot uw zijn,
want dit is een boek,
doch niet zo-o-maar een boek.

’k Kon niet anders dan ’t verbloemen,
anders zou u het verdoemen,
maar met ’t prentje in ’t vizier,
b’leeft u vreugde en pleizier,

aan ’t getokkel van uw luit,
ja zo luid dat ik niet zeker ben
of u het zijt die speelt.

maar ’t heelt zo zacht en fijn
mijn herteklopken dat van u is,
dat van u, dat het uwe is.

Na de luitles drink ik groene thee bij Starbucks in het Gentse treinstation. Ik moet er kiezen tussen verschillende maten van bekers. In Gent staan alleen de tall de grande, en de venti tentoon. Ik stel mij vragen omtrent de mengeling van de gebruikte talen. Ook is er geen logica in de benoeming. De kleinste beker is ‘tall’, de middelmaat is ‘grande’, en de grootste beker is ‘venti’. En vanwaar in godsnaam de benaming ‘venti’? Wel, ‘venti’ staat voor het Italiaanse ‘twintig’ en de betrokken beker zou twintig Amerikaanse onsen (c.q. ounces) bevatten. Ook hier dus verschillende maten voor niets wat een correcte informatieverlening aan de consument betreft.

Coda. Op 14 februari 2017 speel ik weerom luit, en kuier ik met de man die ik graag zie door Valentijnsdag. Beslist geen maat voor niets.

 

Noot
1 Pascale Boquet, Volume M-1 : Méthode de Luth Renaissance, Collection ‘Le Secret des Muses’, Parijs, 1985/2008.

Isabelle Bambust (Isabelle.Bambust@UGent.be) is verbonden aan de rechtsfaculteit van de Universiteit Gent. Zij doet onderzoek rond taal en recht.