Vertaaldag  Archief

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

Franz Werfels Bleekblauwe handschrift

Een toevallige vertaling

Marc Rummens

1987 zal het geweest zijn. Ik was amper dertig en ambtenaar bij de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers. Op de (toen nog) Belgische Radio en Televisie botste ik op een avond haast toevallig op een film die me meteen aan het scherm kluisterde.

Vanwege de subtiele thematiek. In het Wenen van 1936 blikt de vijftigjarige Leonidas Techezy, geslaagd als afdelingshoofd in het Oostenrijkse ambtenarenapparaat en rijk getrouwd met Amelie Paradini, zelfvoldaan terug op zijn leven. Tot die knusse wereld op zijn grondvesten begint te wankelen: tussen zijn stapeltje verjaarswensen herkent hij meteen die ene enveloppe met het bleekblauwe handschrift van Vera Wormser. Met haar had hij ooit, in de beginjaren van zijn huwelijk, een affaire die hij op een erg onheuse manier heeft beëindigd. Nu, twee decennia later, schrijft ze hem. Dat kan alleen maar onheil aankondigen. Ze is immers Joods en ze woont in Duitsland. Ze spreekt over een zoon. Hun zoon? Wat komt ze hem nu nog verwijten? Waarvoor heeft ze hem nodig? Zullen door die ene brief zijn carrière en zijn huwelijk verkruimelen? Of is er nog een uitweg?

Maar ook luisterde ik verrukt naar de vloeiende Duitse volzinnen die weerklonken iedere keer wanneer in de film de alwetende verteller het woord nam om ons kijkers inzage te geven in de gedachten en zielenroerselen van het hoofdpersonage. Dit was pure literatuur. Wie had dit scenario geschreven? Wie was verantwoordelijk voor dit wonderlijke filmproza?

Het bleek te gaan om een televisiefilm uit 1984 van de Oostenrijkse regisseur Axel Corti met in de hoofdrol de gedistingeerde Friedrich von Thun. Een telg uit het adellijke geslacht Thun-und-Hohenstein, zo lees ik nu op Wikipedia, en dus uitermate geschikt voor de rol van de hooggeplaatste mooiprater Leonidas.

17.10_Blassblau _film

Maar waar het me om te doen was: de film bleek gebaseerd te zijn op de novelle Eine blassblaue Frauenschrift van Franz Werfel, een Tsjechisch-Oostenrijks auteur van Joodse afkomst die, opgejaagd door het naziregime, na een lange vlucht door Zuid-Europa eindelijk rust vond in de Verenigde Staten. Dit boek moest en zou ik lezen, zo snel mogelijk, als het kon in het Nederlands (de aangeboren luiheid van de mens), als het moest in het Duits. Navraag bij wat uitgevers maakte al snel duidelijk dat een Nederlandse vertaling niet bestond. De Duitse tekst vond ik in een kleine maar goed gestoffeerde Duitse boekhandel vlak achter mijn parlementaire werkadres in Brussel. De novelle was naast gedichten, theaterwerk en nog andere prozateksten opgenomen in het door Werfelbiograaf Peter Stephan Jungk verzorgde Das Franz Werfel Buch (S. Fischer Verlag, 1986).

Nou, het was inderdaad prachtig vloeiend Duits, maar bepaald niet simpel! Beeldrijke beschrijvingen wisselden af met spannende actiescènes, zorgelijke innerlijke monologen met snedige dialogen, morele bespiegelingen met cynische opmerkingen. Eén dag amper uit het leven van de getormenteerde Leonidas besloeg de tekst, maar via een ingenieus spel van flashbacks en herinneringen zag ik een heel leven passeren. Een leven dat nu, door een kleine ingreep van het lot, helemaal kon kenteren, ten goede, ten kwade. Grijpen we de kansen die het lot ons biedt? Dat is de vraag waarover Werfel me tot de laatste pagina in spanning hield.

Wat niet bestaat, kan door de mens worden gemaakt. De zomer stond voor de deur. Een hele maand zou ik met mijn jonge gezin doorbrengen in een verlaten boerderij aan een piepklein, amper bereikbaar Oostenrijks Alpenmeertje. De locatie was goed gekozen: ook Leonidas heeft aan een Oostenrijks meer een bijna fatale ontmoeting met de ‘Intellektuelle Israelitin’ Vera. Ik besloot dat het naar oude gewoonte een maand van wandelen en lezen zou worden, maar dat ik, puur voor het plezier, elke dag ook een aantal uren zou uittrekken om met Werfels novelle te worstelen.

Aldus geschiedde. Op de laatste vakantiedag zette ik het laatste punt achter de laatste zin van mijn vertaling. Ik kon Vera Wormsers verontrustende brief in haar bleekblauwe handschrift voortaan naar believen in het Duits of in het Nederlands tegen de bergwand laten echoën. Maar een mens die schrijft wil ook gelezen worden. De toenmalige kleine Antwerpse uitgeverij Dedalus maakte er een prachtig boekje van en het enthousiasme van uitgever Rudy Van Schoonbeek was zo groot dat amper een paar jaar later al de vertaling volgde van Werfels Der Abituriententag, verschenen als De reünie. Het verhaal van een jeugdzonde. Ik had me gevoegd bij het leger van de verraders – dat zijn vertalers immers volgens het kernachtige Italiaanse traduttore traditore ­–, als vrijwilliger.

In 2015 rees het idee om het ondertussen lang uitverkochte Bleekblauwe handschrift opnieuw uit te geven. Een hele tijd was ik ijverig bezig met het bijschaven van mijn vertaling uit de jaren tachtig. Een vertaling kan na enkele decennia gerust worden opgefrist. Werfels Duits was en bleef vanzelfsprekend het Duits van de eerste helft van de twintigste eeuw, dat hoef je niet in het blitse verkopers-Nederlands uit de jaren tien van de eenentwintigste eeuw te vertalen. Maar toch kon het op heel wat plaatsen accurater en minder stroef.

Ik mocht zelfs een voorwoord schrijven om de auteur van deze ‘herontdekte klassieker’ (dixit Schwob.nl) te introduceren. Was ik in de loop der jaren een gevestigd literair vertaler en een Werfelkenner geworden? Toch niet, daarvoor werd ik te zeer opgeslorpt door het Leven. Vertalen was en bleef een pleziertje tussendoor. Ik was niet opgeleid als vertaler, hoefde er mijn boterham niet mee te verdienen, kon schouderophalend neen zeggen als me auteurs of titels ter vertaling werden aangeboden die me niet lagen. Als vertaler bleef ik een eeuwige dilettant. Hier en daar een gedicht, een liedtekst, een verhaal, een novelle, een korte roman.

Maar vrijetijdsvertalers zijn daarom niet minder gewetensvol. Ook zij hebben een eer hoog te houden. Misschien juist omdat ze slechts bij gelegenheid vertalen, kunnen ze het zich veroorloven om desnoods uren te zoeken naar het juiste synoniem of de vlotst lopende zin. Voortdurend houden kwellende vragen de vertaler uit zijn slaap.

17.10_Franz _werfel

Franz Werfel

In Der Abituriententag gaat de hoofdrol naar ‘Untersuchungsrichter Doctor Ernst Sebastian’. In Vlaanderen is dat een ‘onderzoeksrechter’, in Nederland een ‘rechter van instructie’. Wat doe je dan als Vlaams vertaler? Je uitgever is in Antwerpen gevestigd, maar het lezerspotentieel in Nederlands is veel groter…

Wat doe je over het algemeen met titels, aansprekingen en begroetingen? Met het o zo typisch Oostenrijkse Grüss Gott alle miteinand, servus, servus? Dertig jaar geleden werd dat: ‘Gegroet mijne heren allemaal, goedemorgen.’ Anno 2016 voegde ik er een cursief ‘servus’ aan toe. Het is immers de sluwe minister die het gezelschap van raadslieden met wie hij vergadert zo aanspreekt, een man die zichzelf om de haverklap een bergboer uit de Alpen noemt. Daar moet je dus een spoor van terugvinden in de vertaling.

Zo leer je dat in Leonidas’ Hietzingerdistrict altijd de sociaal hogere klassen hebben gewoond en dat de triomfboogachtige Gloriëtte hoog in de kasteeltuin van Slot Schönbrunn staat. Je verifieert of het wel klopt dat Leonidas vanuit zijn ministerie op de Minderbroederstraat uitkijkt (ja hoor) en je ontdekt dat in datzelfde eerste district, de Altstadt, zich ook het zeer prestigieuze Schottengymnasium bevindt waar Leonidas Vera’s zoon wil onderbrengen. Wanneer Leonidas de vergaderruimte betreedt zit daar al ‘der “Präsidialist”, der Kabinettschef des Hauses, Jaroslav Skutecky’. Werfel gebruikt zelf dus aanhalingstekens bij de moeilijk te vertalen bureaucratische titel Präsidialist. Hij is de rechterhand van de minister en leidt de vergadering, dus maakte ik er – niet tot mijn grote tevredenheid – ‘de voorzittende kabinetschef’van. Goede raad is welkom. Het is deze ouderwetse Skutecky die op een quasi-gemoedelijk toontje een paar slijmerige lagere ambtenaren vergast op zijn vakantieverhalen aan een bergmeertje (!), zijn monoloog te pas en te onpas doorspekkend met ich bitte en hören Sie. ‘Jawel hoor’, ‘horen jullie me wel goed’, ‘let op’ zijn dan mogelijke Nederlandse tussenwerpsels. Het komt er immers op aan de sfeer van een vertrouwelijk onderonsje – stilte voor een ideologische storm – te bewaren.

17.10_Werfel -Bleekblauwe

Ik eindig met een vraag waarop iedere lezer zelf een antwoord mag bedenken. Terug naar Werfel daarvoor. Eine blassblauwe Frauenschrift. Mocht ik daar Het bleekblauwe handschrift van een vrouw van maken? Volgens sommige recensenten niet, maar na rijp beraad heb ik mezelf toch die vrijheid veroorloofd. Dat onbepaalde lidwoord ‘een’ slaat mijns inziens immers op de vrouw, niet op het handschrift. Ofwel maakte ik er dus ‘Een bleekblauw vrouwenhandschrift’ van (maar dat vond ik een onhandig lang woord), ofwel ‘Het bleekblauwe handschrift van een vrouw’. Eindeloos afwegen en dan de knoop doorhakken (in de wetenschap dat altijd wel iemand ongelukkig is met je keuze), dat is vertalen. Nooit gedacht toen ik zoveel jaren geleden voor mijn plezier een Duits boekje begon te vertalen, dat dat me voor de rest van mijn dagen met zo veel nachtelijk gepieker zou opzadelen.

Marc Rummens (1955) studeerde in Leuven Germaanse taal- en letterkunde. Hij is al bijna zijn hele werkende leven verbonden aan de dienst Beknopt Verslag van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Aan het Centrum voor Levende Talen voltooide hij de volledige cyclus Italiaans. Literatuur is (samen met bergwandelen) zijn grote passie. Sinds enige tijd is hij mede-eigenaar van de Leuvense boekhandel/koffiebar Barbóék.