Vertaaldag  Archief

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

Speurtocht

Hilde Kugel

Wie zoals ik onderzoek doet naar de vertaalpraktijk en het vertaalklimaat in het laatachttiende- en vroegnegentiende-eeuwse Nederland, ontdekt al snel dat het met de zichtbaarheid van de vertaler nog een stuk slechter kan dan nu. Het voor ons zo vanzelfsprekende feit dat de naam van de vertaler voor in het boek staat, was in die tijd helemaal niet vanzelfsprekend: vermeldingen als ‘naar het Hoogduitsch’ of ‘uit het Engelsch’ werden vaak als afdoende beschouwd. Ook in recensies in tijdschriften levert een zoektocht naar de naam van de vertaler vaak niets op. Vertaalsociologisch onderzoek naar individuele vertalers uit die tijd lijkt dus bijna onmogelijk, maar gelukkig is het dat niet. Het is wel monnikenwerk dat veel tijd en geduld vergt, maar ook geen moment verveelt.

Een aantal maanden geleden zat ik in de Koninklijke Bibliotheek met een roman van de Duitse schrijfster Benedikte Naubert (1752–1819) voor mijn neus. Het boek rustte op een beschermend kussen en de dienstdoende medewerker verloor het geen moment uit het oog. Het ging dan ook om een druk uit 1779 – ik voelde me bijna bezwaard om de kwetsbare bladzijden om te slaan. Het onderzoek in het kader van mijn masterscriptie was toen nog niet zo vergevorderd als nu, maar het stond al wel vast dat ik iets met de contemporaine Nederlandse vertalingen van Nauberts werk wilde doen. Haar naam zal bij weinigen een belletje doen rinkelen: in tegenstelling tot veel van haar mannelijke collega’s uit de Goethezeit is Naubert in de vergetelheid geraakt. Dat dit onterecht is, bewijst alleen al haar gigantische oeuvre: ze schreef meer dan vijftig historische romans en talrijke novellen, sprookjes en andere verhalen, waarmee ze geldt als de productiefste Duitse schrijfster van haar tijd.1 De namen van haar Nederlandse vertaalsters zijn bekender: Betje Wolff (1738–1804) en Anna Barbara van Meerten-Schilperoort (1778–1853). De eerste vooral door De historie van mejuffrouw Sarah Burgerhart, de tweede door haar vele opvoedkundige werken en de meisjesschool die ze oprichtte. ‘Nederlandse vertalingen van Nauberts werk’, ‘haar Nederlandse vertaalsters’; het klinkt eenvoudig, maar er gaat een zoektocht achter schuil die ik voor ik aan dit project begon nauwelijks voor mogelijk had gehouden.

16.49_NaubertBenedikte Naubert met haar pleegzoon in 1806

Toegegeven: ik profiteer enorm van het initiatief van de Koninklijke Bibliotheek en Google Books om achttiende- en negentiende-eeuwse boeken te digitaliseren. Zo kan ik vanuit mijn spreekwoordelijke luie stoel Wolffs volledige vertaling Herman von Unna en Ida, of Taferelen uit de geschiedenis der geheime gerechtshoven der XIVde en XVde eeuw2 raadplegen en dat maakt het onderzoek naar deze tekst uiteraard veel makkelijker. Ook kan ik gebruikmaken van zowel Nederlandse als Duitse digitale bibliografische zoekmachines en catalogi van bibliotheken. Ik kan me niet eens voorstellen hoe ik dit onderzoek zou moeten uitvoeren zonder al deze bronnen. Eén essentieel aspect blijft buitengewoon ingewikkeld, hoeveel moderne middelen ik ook tot mijn beschikking heb: is een achttiende- of negentiende-eeuwse vertaling ook echt de vertaling waarvoor die zich uitgeeft?

Na wat zoekwerk in secundaire literatuur en een aantal bibliografieën had ik de eerste brontekst en de bijbehorende vertaling van Wolff relatief snel gevonden, hoewel ook haar naam in de oorspronkelijke uitgave niet genoemd wordt (‘uit ’t Hoogduitsch vertaald’). Het briefverkeer van die tijd helpt de onderzoeker uit de brand. Een nicht van Wolff schreef op 13 november 1804 aan M.C. van Hall, met wie Wolff zelf gecorrespondeerd had: ‘in al die smarten heeft zy haar laatste werk, de Herman van Unna nog vertaald’,3 verwijzend naar het feit dat Wolff de laatste paar jaar van haar leven ernstig ziek was. Interessant is overigens dat op het titelblad van de vertaling Veit Weber als oorspronkelijke auteur wordt aangevoerd, in plaats van Naubert. Hermann von Unna verscheen anoniem en men ging, geheel in lijn met de opvattingen over vrouwelijk schrijverschap in die tijd, ervan uit dat een dergelijke historische roman alleen door een man geschreven kon zijn. Om die reden werd het werk aan Leonhard Wächter toegeschreven, die veel historische romans schreef en het pseudoniem Veit Weber gebruikte.

Nu lijkt het met al die om- en zijwegen al ingewikkeld genoeg, maar het werd pas echt interessant toen ik me ging verdiepen in Van Meerten-Schilperoorts vertaling. Buismans Populaire Prozaschrijvers van 1600 tot 18154 maakt melding van Laura, een voorbeeld van edele zelfopoffering; een boek inzonderheid voor jonge vrouwen en moeders. Vrij vertaald uit het Hoogduitsch door A.B. van Meerten geb. Schilperoort.5 Nergens wordt een oorspronkelijke auteur genoemd. In de catalogus van de KB en in de gedigitaliseerde versie in Google Books staat Naubert echter als auteur vermeld, met Laura als bronteksttitel. Het vormde de aanleiding tot een zoektocht naar die brontekst, maar deze keer zonder resultaat. Nergens is de roman te vinden, niet in de Karlsruher Virtueller Katalog, waarin je de catalogi van alle Duitse, Oostenrijkse en Zwitserse bibliotheken kunt doorzoeken, niet in de omvangrijke bibliografie die specialisten Helga Gallas en Anita Runge opstelden van werken van Duitse schrijfsters rond 1800,6 en ook in de catalogus van de KB zelf duikt het werk alleen op in de context van de vertaling, en nergens als oorspronkelijke titel.

16.49_Van Meerten16.49_Wolff
Anna Barbara van Meerten-Schilperoort (links) en Betje Wolff 

Tja, wat moet je dan? Wat kan een vertaalwetenschapper met een vertaling waarvan, getuige de vermelding in de KB-catalogus, kennelijk het vermoeden bestaat of zelfs is vastgesteld dat er een bepaalde brontekst aan ten grondslag ligt, maar deze brontekst nergens te vinden is? Zou het misschien een pseudovertaling zijn, een tekst die als vertaling wordt gepresenteerd, maar eigenlijk een oorspronkelijke tekst is? Van Meerten staat erom bekend dat haar prioriteit als vertaalster niet altijd bij een getrouwe weergave van de brontekst lag. Vanuit haar vooral pedagogische doeleinden waren haar vertalingen ‘sterk aangepast aan de geest van haar tijd’, schrijft Lotte Jensen.7 Arie-Jan Gelderblom voegt daaraan toe: ‘Ze wist haar stof voorbeeldig te voegen naar de voorkennis en de wensen van haar lezers.’8 Maar betekent dat ook dat zij haar publiek zand in de ogen wilde strooien? Waren haar ‘vertaalopvattingen’ zó vrij? Of gaat het gewoon om een tekst van Naubert die verloren is gegaan? Het zijn vragen die tot nu toe onbeantwoord zijn gebleven.

Om toch verder te kunnen met mijn onderzoek, ben ik op zoek gegaan naar een vertaling van Van Meerten waarvan wel een brontekst te traceren is. Aangezien mijn onderzoek gaat over vrouwelijke vertaalsters en de positie die zij in het vertaaldiscours innemen, kom ik met alleen een doeltekst niet ver. Ik vond Keetje en Frits; of de kleine wandelaars; een verhaal, waaruit de kinderen kunnen leeren, dat zij zich zelven door ongehoorzaamheid, de grootste onheilen veroorzaken,9 een vertaling van Arthur and Alice or the little wanderers (1825). Uitgever John Harris plaatste in dit geval geen auteursnaam op het titelblad. Volgens WorldCat is het Elizabeth Semple, maar daarvoor ontbreekt ieder bewijs. De Oxford Encyclopedia of Children’s Literature10 vermeldt dat Semple op grond van haar initialen weleens verward werd met een andere schrijfster die bij hem publiceerde, namelijk Elizabeth Sandham, om het nog wat complexer te maken. Mijn speurtocht is voorlopig dus allesbehalve afgerond. Even mailen of bellen met uitgevers of vertalers is bij vertaalhistorisch onderzoek nu eenmaal onmogelijk, maar dat is er ook wel weer de charme van.

 

Hilde Kugel (1993) studeerde Duitse Taal en Cultuur in Utrecht en Münster en volgt momenteel de Master Literair Vertalen aan de Universiteit Utrecht. Dit collegejaar werkt ze als onderzoeksassistent van Cees Koster en zal ze werkcolleges verzorgen voor de bachelorcursus Vertalen en Vertaalwetenschap. Verder werkt ze in het kader van haar studie aan een vertaling van een van de sprookjes van Benedikte Naubert.

 

Noten

1 Zie J. Blackwell, ‘Die verlorene Lehre der Benedikte Naubert. Die Verbindung zwischen Phantasie und Geschichtsschreibung‘, in: Helga Gallas & Magdalene Heuser (eds.), Untersuchungen zum Roman von Frauen um 1800. Tübingen: Niemeyer, 1990.

2 1804, Den Haag: Erven Isaac van Cleef/B. Scheurleer Junior, oorspronkelijke titel: Hermann von Unna. Eine Geschichte aus den Zeiten der Vehmgerichte (1789, Leizpig: Weygand).

3 Geciteerd in Piet Buijnsters, Bibliografie der geschriften van en over Betje Wolff en Aagje Deken. Utrecht: HES, 1979, p. 49.

4 1959, Amsterdam: Israël, p. 297.

5 1834, Amsterdam: Johannes van der Hey en Zoon.

6 Helga Gallas & Anita Runge, Romane und Erzählungen deutscher Schriftstellerinnen um 1800: eine Bibliographie. Stuttgart: Metzler, 1993.

7 L. Jensen, ‘Bij uitsluiting voor de vrouwelijke sekse geschikt’. Vrouwentijdschriften en journalistes in Nederland in de achttiende en negentiende eeuw. Hilversum: Verloren, 2001, p. 96–97.

8 Arie-Jan Gelderblom, ‘Schrijvende leidsvrouw en kindervriendin: Anna Barbara van Meerten-Schilperoort (1778–1853)’, Nederlandse Letterkunde, 2:1, p. 29–44.

9 1823, Amsterdam: G.J.A Beijerinck.

10 Andrea Immel, ‘Elizabeth Sandham’, in: Jack Zipes (ed.), The Oxford Encyclopedia of Children’s Literature. Oxford: Oxford University Press, 2006, p. 393–394 [deel 3].