Vertaaldag  Archief

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

De rest hoort aan de nacht

Ton Naaijkens

Zijn uitgever houdt het relatief kort op de website: ‘Op 10 augustus jl. is vertaler van Louis-Ferdinand Céline, Emanuel Kummer op 89-jarige leeftijd overleden. Kummers vertaling van het meesterwerk van Céline, Reis naar het einde van de nacht verscheen in 1968. Er werden sindsdien vierentwintig drukken van opgelegd.’ Daarna volgt, enigszins plichtmatig maar misschien gewoon berustend, een biografisch citaat uit de DBNL. Wel levert Van Oorschot een uitstekende link naar een radio-interview met hem uit 1997. Afgelopen weekend zag ik zelf de overlijdensadvertentie – Emanuel Kummer, ‘Schrijver, vertaler, inspirerend docent, Liefste echtgenoot en vader’, 1926-2016. Ik had reacties verwacht, maar die kwamen vooralsnog niet.

16.34 Portret

Het radioprogramma Een leven lang portretteerde destijds ‘kunstenaars en wetenschappers’ en begon met vertaler Kummer, een kleurrijk persoon, ‘geboren in Indo-China’, Franse moeder, Nederlandse vader, vrijwilliger in het Franse koloniale leger. Hij wordt neergezet als een agressief man, ook door hemzelf, ‘ik heb gauw ruzies en wilde dan doorgaan tot het gevaarlijk werd’. Vriend en uitgever Martin Ros bevestigt dit beeld, hij noemt Kummer wild, zeer hartstochtelijk, een man met een enorme vechtlust, die de polemiek zoekt en mensen heeft ‘afgeslacht’. Vervolgens komen allerlei thema’s langs waarover Kummer een aparte opvatting ventileert. Aan de orde komt ook het beeld dat Kummer heeft van Céline. Ik kende Kummer niet en Céline vooral via Kummer – op de een of andere manier heb ik altijd gedacht dat Kummer de ideale vertaler van Voyage au bout de la nuit (1932) was, al is de eerdere vertaling van J.A. Sandfort ook niet mis (Reis naar het eind van de nacht, in 1934 verschenen bij uitgeverij Mulder te Amsterdam. Sandfort correspondeerde er nog over met de schrijver). Maar met het idee van verwantschap moet ik voorzichtig zijn. De meeste boeken van Céline werden te onzent vertaald door Frans van Woerden, die daar ook terecht de Nijhoffprijs voor kreeg. 

Reis naar het einde van de nacht is de enige vertaling van ‘E.Y. Kummer’. Kummer, ‘E. Kummer’, vertaalde zelf niet veel meer. De vertaling, waarvoor in 1972 de Nijhoffprijs werd toegekend, is van de hand van Emanuel Kummer en Yvonne Santina Kummer-Bitter. Op zijn eigen website staat dit: ‘Tijdens mijn leraarschap [aan de Gerrit van der Veen-MMS in Amsterdam-Zuid] vertaalde ik Célines Voyage au bout de la nuit die als Reis naar het einde van de nacht in 1968 uitkwam bij Van Oorschot.’ In het juryrapport, waarvoor roemruchte Nijhoff-juryleden tekenden, is alleen sprake van de heer Kummer, soms van drs. Kummer. Op VertaalVerhaal zijn inmiddels tal van dankwoorden gepubliceerd, waaronder het desbetreffende: ook hier is geen spoor van Yvonne Bitter te vinden. Als ik het deelpseudoniem E.Y. Kummer intik in de intrigerende krantenbank Delpher, vind ik wederom alleen de man, een wetenschappelijk medewerker te Leiden die een ‘weerzinwekkend verschijnsel’ heeft vertaald. Ik ben nieuwsgierig naar de rol van zijn vrouw. In mijn exemplaar van het boek – de 24ste druk, die met de tekeningen van Tardi; dit najaar verschijnt de 25ste – staat ze nog steeds vermeld in de vorm van de meest mysterieuze letter van ons alfabet, de ypsilon, de letter die in het digitale jargon inmiddels staat voor de belangrijkste vraag uit ons aller leven: why?

16.34 Illustr 2

Em. Kummer, de naam waaronder hij veel publiceerde, veel essays over dwarskop Multatuli en ook een aantal romans, wordt ook gebruikt bij wat hij verder nog van Céline vertaalde en over deze auteur schreef. In 2006 publiceerde hij het boek Céline, een briljante boef (Soesterberg: Aspekt) waarvan in 2012 een herziene uitgave verscheen. Het epitheton zat ook de vertaler als gegoten, als ik althans afga op het beeld dat hij van zichzelf schetst op de eigen website. Hij noemt zich er Gallobataaf, zet dingen recht maar laat zich ook niet kennen. Een staaltje: ‘In 1990 verscheen mijn eerste roman, Afscheid in Meudon, in 1994 gevolgd door Helden zijn zwart. Verhalen publiceerde ik onder andere in Optima, De Revisor en Maatstaf. Ik schreef artikelen over Multatuli, het surrealisme, Céline en de literatuurwetenschap. Polemieken, daar houd ik van, ik verzette me fel tegen het feministisch fundamentalisme in de literatuurkritiek, de ideeën van Bal, Meijer en Van Alphen die eind vorige eeuw in Nederland de republiek der letteren het liefst wilden veranderen in een dictatuur. Iets belachelijkers ben ik nooit tegengekomen. En als gastredacteur van Propria Cures kon ik in 1995 helemaal mijn gang gaan.’ 

Of Kummer een bijzondere man is geweest, kan ik niet beoordelen. Het heeft er alle schijn van. Ik ken hem van een fameuze vertaling van een fameus boek, die zo eindigt: ‘Tegen het eind van de nacht draaien de sluisdeuren langzaam open. En dan begint het hele landschap opnieuw te leven en gaat alles aan de slag. De oevers scheiden zich heel langzaam van de rivier, ze staan op, verheffen zich aan beide kanten van het water. Het werk doemt op uit de schemer. Je begint alles weer te onderscheiden, heel simpel en keihard. Hier lieren, daar bouwputten en in de verte op de weg mannen, die nog van veel verder komen. Met verkleumde groepjes tegelijk dringen ze het gore daglicht binnen. Ze smeren hun gezichten vol met dat licht, als ze langs de opkomende zon trekken. Dat is het eerste wat ze doen. Ze gaan verder. Je ziet alleen maar goed hun bleke, eenvoudige gezichten; de rest hoort nog aan de nacht. Die moeten ook eens op een dag kreperen. Hoe zullen zij dat doen?’

 

Noot van de webredactie:
In een persoonlijke mail aan de auteur liet Ariane van Santen, Kummers tweede vrouw, naar aanleiding van deze column weten altijd van hem gehoord te hebben dat híj vertaalde, maar dat Yvonne, zijn eerste vrouw, alles héél goed nakeek, en daar zo veel aandacht, energie en tijd aan besteedde, dat hij zijn waardering daarvoor tot uitdrukking wilde brengen door háár voorletter aan de zijne toe te voegen.