Vertaaldag  Archief

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

Het leven is een aftelrijmpje

Isabelle Bambust

Tijdens de paasvakantie van dit jaar beleefden de man die ik graag zie en ikzelf een heerlijke tijd in Straatsburg. Op een avond ontmoetten we in het hotel een groep Israëliërs. Zij hadden eenzelfde doel: zoeken naar historische sporen van het jodendom. Toen we vroegen of ze ook een boottochtje op de Elzassische rivier, de Ill hadden gemaakt, antwoordde de reisleider: ‘No, because time is our enemy…’… Sindsdien herhalen we, wanneer we vinden dat de tijd te vlug gaat, te pas en te onpas, en met een dramatische slagkracht, het zinnetje ‘Time is our enemy’.

De confrontatie tussen het Leven en de Tijd is inderdaad een aftellied, dacht ik bij mezelf. Een aftelrijmpje (of aftelliedje) is immers een ‘liedje of rijmpje, bij sommige kinderspelen in gebruik, om een der spelers bij telling te bepalen of aan te wijzen, t.w. door het deuntje op te zeggen, terwijl de spelers in een kring staan, en te zien wie door de laatste lettergreep wordt aangewezen.’– Dit tijdsbesef brengt mij opnieuw bij Purcells ‘In the midst of life’ (we are in death). En ook word ik weerom erg aangegrepen door het sublieme gedicht ‘Ma rue’ (uit Complaintes) van Maurice Carême (1899–1978). Mevrouw Jeannine Burny van de Fondation Maurice Carême was zo lief om mij de tekst van het gedicht door te sturen:

Ma rue

Pendant que je vis, des gens meurent.
Des gens vivront quand je mourrai.
C’est tellement simple, mon cœur,
Que tu ne le crois qu’à moitié.

Hier, dans ma rue, un homme est mort.
Je ne l’ai su que par hasard,
Car le facteur avait encor
Pour lui deux lettres de Dakar.

Par contre, il paraît qu’il est né
Et, ma foi, presque à la même heure -
Un garçon chez le cordonnier.
Ici, l’on rit; là-bas, l’on pleure.

Et moi, durant ce temps, je vis,
Je mange et bois comme si rien
Ne se passait dans le pays,
Je lis, j’écris, je réfléchis.

La rue monte sans se presser.
Des gens, n’écoutant que leur cœur,
S’en vont dans l’ombre des sorbiers.
Le soleil luit sur ma demeure.
                   Maurice Carême Complaintes
                     © Fondation Maurice Carême

Ik waag mij voor de gelegenheid aan de volgende weliswaar onvolkomen vertaling:

Mijn straat

Terwijl ik leef, sterven er mensen.
Mensen zullen leven als ik uit zal doven.
Mijn ziel, je kunt het niet simpeler wensen,
Dat je het maar voor de helft kunt geloven.

Gisteren ging een man dood in mijn straat.
Ik heb het maar toevallig vernomen,
Want de postbode bestelde te laat
Twee brieven voor hem uit Dakar gekomen.

 Doch, er kwam naar ‘t schijnt ook nieuw leven
- mijn god, bijna op ‘t zelfde uur van de dag -
Een zoon aan de schoenmaker gegeven.
Daar is er geschrei; hier is er gelach.

En, ondertussen, leef ik op mijn beurt,
Ik eet en drink zonder de minste vrees,
’t Is alsof er niets in de streek gebeurt.
En ik schrijf en ik denk en ik lees.

De straat gaat bergop zonder haast of stressen.
Mensen luisteren slechts naar hun herteklop,
Zoeken de schaduw op van lijsterbessen.
De zon schijnt en warmt mijn huisje op.

Maurice Carême schreef in zijn La lanterne magique ook een comptine. Componist Jean Absil (1983–1974) zette dit aftelliedje op muziek. De tekst van Carêmes ‘Comptine’ krijgt de muzikale titel ‘Ronde des chiffres’ en staat in een zangcyclus (‘5 Chansons pour voix d’enfants’) van Absil. ‘Comptine’ luidt als volgt:

Un, deux, trois,
Il y avait sur le toit,
Quatre, cinq, six,
Une poulette en chemise,
Sept, huit, neuf,
Qui, sans casser un seul œuf,
Dix, onze, douze,
Avec un peu de saindoux,
Quatorze, quinze et dix-sept,
Voulait faire une omelette.
Où est treize?
Où est seize?
Comptez sur vos doigts, Thérèse.

                             Maurice Carême, La lanterne magique
                                © Fondation Maurice Carême

Een poging tot een vertaling in het Nederlands bracht me bij het volgende voorstel:

 Een, twee, drie,
’k Heb een kipje op mijn knie,
Vier, vijf, zes,
’t Kipje gaat op haar paasbest,
Zeven, acht, negen,
Zonder ei is dat geen zegen,
Tien, elf, twaalf,
’t Is al boter in de schaal,
Veertien, vijftien, zeventien,
’k Heb geen eierkoek gezien,
Waar is dertien?
Waar is zestien?
Telt uw vingers toch, tant’ Celestien.

 Het vertaalproces is boeiend. Maar niets verloopt zomaar van een leien dakje. Er moet gezocht worden naar rijmwoorden op ‘drie’, ‘zes’, ‘negen’, ‘twaalf’ en ‘zeventien’. Twee andere getallen dan ‘dertien’ en ‘zestien’ in het verhaaltje weglaten heeft weinig zin. Het verandert immers niets aan een verplicht rijmwoord op ‘tien’, want van dertien tot zeventien eindigen alle Nederlandstalige getallen op ‘tien’.