Vertaaldag  Archief

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

Hoera, totale vrijheid!

Zonder hulpmiddelen de woestijn in

Vicky  Francken

Waar begin je als je niet weet waar je moet beginnen?

Een vraag die je jezelf stelt als je worstelt met het vinden van de juiste woorden. Je zou dus verwachten dat het bij uitstek een vertalersvraag is: een vraag die veel vertalers zichzelf geregeld stellen. Natuurlijk, er is dat welbekende dilemma of het nou wel zo verstandig is om met de eerste regels van de eerste bladzijde te beginnen – je wilt immers dat de lezer het verhaal of het gedicht wordt ‘ingezogen’, dus die eerste woorden zijn heel belangrijk en moeten krachtig en trefzeker zijn; je moet de stem van de verteller al gevonden hebben. Goed, je begint misschien niet bij het begin, maar over het algemeen begín je toch ‘gewoon’ op een gegeven moment. Je haakt aan bij de door jou gekozen eerste zin, rijgt daarna de daaropvolgende zinnen aan het spit. Natuurlijk lees je al vertalend nog vaak terug, verbeter je hier en daar iets en herlees je ten slotte alles wat je hebt vertaald. Maar als er zich in dat proces haperingen voor doen, is er altijd de volgende zin waarmee je verder kunt gaan. Of de volgende alinea, de volgende pagina, het volgende hoofdstuk. Een van die vele mooie dingen van vertalen: je hebt een brontekst of eigenlijk een grondtekst, een tekst die je voet aan de grond geeft, die weliswaar oneindig veel vragen en moeilijkheden kan opwerpen, maar uiteindelijk op evenveel andere manieren toch ‘houvast’ biedt.

Toch was ‘waar begin je als je niet weet waar je moet beginnen?’ de meest gestelde vraag tijdens een bijeenkomst ‘Creatief schrijven voor literair vertalers’ op de VertalersVakschool, gegeven door dichter en vertaler Arie van den Berg, toen er een wel heel bijzondere schrijfopdracht werd gegeven. Een schrijfopdracht getiteld ‘Vertaalopdracht’. De deelnemende vertalers kregen allemaal drie gedichten uitgedeeld, geschreven in talen die geen van hen machtig was. (Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat daarop één uitzondering was: één van ons begreep door verwantschap tussen ‘haar’ brontaal en een van deze talen toch wel enkele woorden. Het scheen dat dit de opdracht alleen maar bemoeilijkte.) Er mochten geen woordenboeken worden geraadpleegd en toch luidde de opdracht ‘Vertaal deze gedichten’.

Leuk! dacht ik meteen, een gedicht vertalen zonder de taal te kunnen lezen, dat zou wel eens heel dicht bij het schrijven van een nieuw gedicht kunnen komen – al zou je kunnen opmerken dat daar bij poëzievertalingen eigenlijk bijna altijd sprake van is.

Nu goed, even maakte mijn brein een klein sprongetje: hoera, totale vrijheid! Of toch niet. Zelfs zonder dat ik de gedichten kon begrijpen, was er natuurlijk sprake van een bladspiegel, van klanken en woordbeelden. Woorden die eruitzagen als voorzetsels of werkwoorden. Hoewel de betekenis in deze vertaalopdracht ‘niet meedeed’ – dat wil zeggen: tijdens deze opdracht was geen enkel woord in de doeltaal goed of fout, het was juist de bedoeling om níet tot de ware betekenis van het woord te komen –, werd het me pijnlijk duidelijk: de verlammende en desoriënterende schijnvrijheid van een vertaling die de betekenis buiten beschouwing laat. Het zou gemakkelijker zijn om ‘gewoon’ een gedicht te schrijven, een gedicht dat je ter plekke zelf bedenkt, dan om een van deze gedichten te ‘vertalen’, waarbij je ze weliswaar ook zelf bedenkt, maar gebonden bent aan bepaalde voorwaarden. Terwijl juist die voorwaarden ook weer dat bovengenoemde houvast konden bieden.

Deze opdracht was binnen de cursus misschien vooral bedoeld als speelse poging om de cursisten zelf een gedicht te laten schrijven, maar voor mij benadrukte hij eens te meer wat de moeilijkheden zijn die je tegenkomt bij het vertalen van poëzie. De ‘dwingende’ eigenschappen van de brontekst waar de poëzievertaler mee te maken krijgt, waren ook nu nog aanwezig, al waren we op het vlak van de betekenis dan geheel vrij. Het bleek moeilijker dan gedacht. Cursusleider Van den Berg gaf toe dat hij ons met deze opdracht zonder hulpmiddelen de woestijn in had gestuurd. Een uitnodiging tot creativiteit, maar wel binnen de perken. Denkend aan Deelder: ‘Binnen de perken zijn de mogelijkheden even onbeperkt als daarbuiten.’

Het was mooi om te zien dat iedereen bij het schrijven bepaalde vertaalstrategieën (of schrijfstrategieën?) hanteerde en zelf koos aan welke daarvan hij prioriteit verleende. Van het tellen van het aantal woorden of het letten op de regellengte tot het door T.S. Eliot aangeraden hardop voorlezen van een gedicht, ook als je de taal niet kent, om te luisteren of je er bepaalde klanken in kunt herkennen. De taal van de liefde is internationaal, zeggen ze. En dat geldt ook voor muziek of poëzie. Zelfs als we niet weten waar het allemaal over gaat.

FranceknkemenyIstván Kemény

Een paar voorbeelden van de uitkomsten van deze schrijfopdracht:

In het gedicht ‘A méhész’ van István Kemény, door Margreeth Schopenhauer uit het Hongaars vertaald als ‘De bijenhouder’, stond een mooie laatste zin die tot bijzonder uiteenlopende vertalingen leidde:

Valami zümmögjön nekem, zümmögjön nekem,
zümmögjön nekem, zümmögjen nekem,
zümmögjen nekem.

 In de vertaling van Schopenhauer:

Zodat er iets zoemt om me heen,
zoemt, zoemt, zoemt om me heen,
zoemt.

 Mijn ‘vertaling’ (uiteraard voordat we de échte vertaling te zien kregen):

Laat ons niemand kwijtraken, niemand kwijtraken,
niemand kwijtraken, niemand kwijtraken,
kwijtraken.

Al aarzelde ik nog of ik in de laatste regel ‘niemand’ wilde laten staan of juist ‘kwijtraken’, maar dat was meer een zelfbedacht spel met de woorden dan gebaseerd op wat de brontekst me liet zien.

Of het titelloze gedicht van Jãnis Elsbergs (uit: Rĩta kafija, Apgads Daugava, 1996):

‘Vai tu esi dzīvs?’
man pēkšņ, prasa kāds piedzēries kungs.

‘Jā, jā,’ es steidzīgi saku.
‘Jā, jā,’ es ļoti
steidzīgi
saku.

Door Jan Sleumer en Mara Skujeniece vertaald uit het Lets:

‘Leef je?’
vraagt me plotseling een dronken heer.

‘Ja, ja,’ zeg ik haastig.
‘Ja, ja,’ zeg ik
erg haastig.

Werd bij mij:

‘Ga je voor god door?’
vragen ze terwijl ze zijn paardbenen prijzen.

‘Ja, ja,’ zegt hij strijdbaar afwezig.
‘Ja, ja,’ zegt hij steigerend
strijdbaar
afwezig.

Gedichten leiden vaak tot uiteenlopende vertalingen. De verscheidenheid was nu echter enorm te noemen, aangezien ieder van ons een eigen wereld schiep bij de klanken die we meenden te horen. Iedereen zag iets anders, ook al keken we allemaal naar dezelfde bladspiegel. Vertalen, het is net schrijven. En al met al zijn beide net de werkelijkheid: iedereen ziet iets anders, ook al kijken we allemaal in dezelfde spiegel. Waar begin je met beschrijven wat je ziet?