Vertaaldag  Archief

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

Een besnijdenis vindt slechts één keer plaats

Ton Naaijkens

Hoe vluchtig is een naam? In de tragische maand januari van het jaar 2015 werd de hoofdredacteur van Charlie Hebdo, Stephane Charbonnier, begraven in een voorstad van Parijs, in Pontoise. Pontoise kennen we tweemaal uit de literatuurgeschiedenis, allereerst via dichter, dief en vagebond François Villon:

Je suis François, dont il me poise / Né de Paris emprès Pontoise / Et de la corde d'une toise / Saura mon col que mon cul poise.   

Ernst van Altena vertaalt Pontoise weg:

Ik ben François, wiens naam zo bont is / Parijs, dat mijn geboortegrond is / Hangt mij straks aan een touw dat rond is, / Zo leert mijn kop hoe zwaar mijn kont is.1

Het zijn regels waarmee de tot de strop veroordeelde Villon als een middeleeuwse Charlie de draak steekt met Frankrijk en zijn machthebbers. Celan betoonde zich solidair met Villon in zijn bekende ‘schurken- en schelmenlied / gezongen te Parijs emprès Pontoise / door Paul Celan / uit Tsjernovtsy bij Sadagora’.2 In dat gedicht draait Celan – ook een ‘Parijzenaar’ – alles om, net als Villon en alsof ook hij aan de strop bungelt. (‘Destijds, toen er nog galgen waren, / toen, nietwaar, had je / een boven.’) Het is duidelijk dat ‘de pest’ waarvan in Celans gedicht sprake is, een metafoor is voor antisemitisme. En het omkeren van geografische verhoudingen is een soort tegengif tegen de verzieking van intermenselijke verhoudingen, ook die die uitlopen op doding: ‘Amandelboom, bamandelmoom. // Amandeldroom, dramandelmoom. / en ook de machandelboom. / Chandelboom. // Heia. / Oom.’ Bij ‘heia’ zwiept het zwaard door de lucht; de boom wordt onthoofd (of zoals Derrida zegt: besneden).3 Ik weet nog dat ik het betreurde dat de onthoofde boom in het Nederlands een mens opleverde, een ‘oom’; de onthoofde Duitse boom levert onzin op, ‘aum’, dat is beter; anderzijds wordt de boom in het daaropvolgende vers een mens, een dwarsbomende mens, een die opstaat tegen ‘de pest’. De manier van denken van Celan, waarin namen en tijden met elkaar verbonden worden om onderwerpen beter uit te laten komen en een onderlinge samenhang aan te geven, is in dit gedicht zeer voelbaar. Namen wijzen op gebeurtenissen, die worden niet genoemd; er komen lijnen samen die zichtbaar worden via signalen – ‘onvervangbare wachtwoorden (…) die toegang geven tot het gedicht, een onschatbaar sjibbolet, een lichtende, ruisende zwerm aantekeningen’, aldus Derrida in het Nederlands van Ger Groot in de oude vertaling van 1992.4 Met de laatste twee namen is het aantal door mij in dit stukje genoemde namen gekomen op tien stuks, in een paar luttele minuten – daarmee doe ik een beroep op de goede verstaander. Hoe vluchtig zijn namen?

15.8_afb _1

De namen en de ‘lichtende, ruisende zwerm aantekeningen’ bij een gedicht worden door Derrida in dezelfde passage ‘even zovele herkenningstekens’ genoemd ‘ten behoeve van de ontcijfering en de vertaling van het raadsel’.5 Wat mij brengt tot de operatie die Derrida, Celans directe collega aan de École normale supérieure  aan de Parijse Rue d’ Ulm, onderneemt in zijn boek en die een intrigerende illustratie is van wat hij ‘différance’ noemt – Ger Groot weet daar veel meer van dan ik, maar het is wel van belang dat daarmee een bepaalde manier van lezen wordt bedoeld die niet uit is op interpreteren maar op het ontginnen van lagen in teksten. En dan niet tot op de bodem, want de lagen aarde vallen steeds weer terug. De complexiteit en ambiguïteit van dat lezen worden niet opgeheven maar bevestigd of zelfs nog versterkt. Dat wil zeggen dat ‘het raadsel’ niet opgelost maar gehandhaafd wordt. Dat het slot bij het ontsleutelen weer in het slot valt. Wat mij bovendien intrigeert is het verband met vertalen, al gebruikt Derrida in het citaat ‘vertaling’ van het raadsel als metafoor. Maar juist in Sjibbolet – een fantastische en verhelderende studie mijns inziens – gaat hij ook in op vertaling in de ‘echte’, eigenlijke betekenis van dat woord. Dat doet hij expliciet in de uitgebreide voetnoot 2, waaraan Ger Groot een alinea namens hemzelf toevoegt.6 Derrida zegt daar dat hij de citaten van Celan tweetalig citeert en een aantal Franse vertalingen daarvoor gebruikt:

Deze beslissing houdt geen enkel oordeel in, laat staan kritiek of achterdocht ten aanzien van de vertalers, die een dergelijke dubbele weergave, in het origineel en in een andere versie, trouwens ook zelf onontbeerlijk achtten [sic, tn]. Met het citeren van de bestaande vertalingen wil ik allereerst mijn enorme verplichting kenbaar maken en eer bewijzen aan degenen die de verantwoordelijkheid of het risico op zich genomen hebben, teksten te vertalen waarvan elke letter, zoals we weten, en trouwens ook elke spatie, de ademhaling en de cesuren, iedere vertaling tarten, maar tegelijk uitroepen en uitlokken.7

Ja, dat is erg duidelijk in deze studie, het respect voor vertaling dat eruit spreekt, dat Derrida zich sterk aan de vertalers verplicht voelt. Hij heeft herhaaldelijk over vertalen geschreven – het voert helaas te ver om daar hier verder op in te gaan – maar in dit boek wordt dat wat hij zeggen wil – zijn theorie – enorm plastisch, direct voelbaar en gekoppeld aan concrete teksten die hij zo goed mogelijk en dus ook via vertaling wil lezen. Het gaat er letterlijk om, vertalen schurkt als operatie dicht tegen het opzoeken van de différance aan. Zeker in de onmogelijkheden en nieuwe mogelijkheden die het vertalen zelf zo kenmerkt. Hij zegt het in voetnoot 2 zelf ook:

Het raadsel van het sjibbolet valt (…) van begin tot eind samen met dat van de vertaling in haar wezenlijke dimensies.8

Hij heeft die vertalingen letterlijk overgenomen, ze niet willen ‘amenderen’ – en ik denk dat hij het makkelijker heeft gehad om dat te doen dan Ger Groot omdat hij in het Frans schreef en Franse vertalingen in zijn betoog kon aftasten en becommentariëren. In het Nederlands treedt er een nieuwe gelaagdheid op en Ger Groot moest soms drie teksten citeren, Duits, Frans en Nederlands, waarna het commentaar dusdanig gericht vertaald moest worden dat het driedubbel paste. Vandaar dat hij wel meegaat met Derrida’s respect voor de Franse vertalingen, maar de Nederlandse soms aanpast ‘met het oog op de specifieke effecten van de Franse vertaalde tekst en hun echo’s in het commentaar’.9

Ik zoek beelden om dit aanschouwelijk te maken. Een toverbal misschien, maar die is uiteindelijk op; krasplaatjes die nieuwe beelden onthullen, maar dan in het oneindige; een installatie wellicht waarbij de ene foto langzaam verdwijnt en de andere langzaam opkomt, telkens weer; een kaleidoscoop; oneindig lezen in de woorden van Celan ‘met een telkens wisselende sleutel’, zoals gezichten van mensen hetzelfde blijven maar van het ene moment op het andere een andere boodschap afgeven. Besnijdenis. Onthoofding. Boom. Oom. Baum. Aum.

15.8_tegel

Derrida schrijft over Celan in het kader van ‘een scherpere lezing van het origineel’.10 En dat is precies waarom het gaat. Er is een tekst waarin Derrida aan de hand van Celan in dialoog treedt met Hans-Georg Gadamer, uitgesproken ter gelegenheid van Gadamers overlijden. Hij noemt het nadenken, lezen dus ook, een ‘gevaarlijke opgave’.11 Het is voor mij tekenend dat Derrida daarmee aangeeft hoe voorzichtig – omzichtig is misschien beter – hij te werk gaat. Gadamer heeft ook over Celan geschreven – in een duinpan aan de Nederlandse kust overigens –, maar dat is met alle respect een flink stuk speculerender (‘in een heen-en-weer gaande beweging wordt gaandeweg een zo groot mogelijk begrip bereikt,’ aldus Ger Groot) en gissender. Derrida en hij wilden wel allebei ‘het gedicht’ begrijpen, ongetwijfeld juist van iemand als Celan,  in wiens gedichten steeds het watermerk van de holocaust is ingeperst. Over gevaarlijke opgave gesproken – inderdaad is voor Derrida het lezen van een gedicht precair en precies. Derrida volgt geen hermeneutisch patroon; eerder gaat hij uit van een rest, van iets dat niet begrepen kan worden. Daardoor komt hij dicht bij een tekst, niet bij de zogenaamde ‘waarheid’ ervan, maar van zijn ‘portée’- een mooi ongrijpbaar woord dat niet alleen ‘strekking’ betekent maar vooral ook ‘reikwijdte’ en ‘spanbreedte’. Hij noemt duiding veeleer een ‘bezorgd avontuur’. In zijn tekst voor Gadamer heeft hij het ook over zijn Schibboleth pour Paul Celan. In elk Celan-gedicht zit het hiaat van een wond ‘waarvan de lippen nooit dichtgaan of samenkomen’. Ik lees die wond als het watermerk dat ik noemde – en voeg eraan toe dat je volgens Derrida in een analyse van het (een) Celan-gedicht dat ernaar moet ‘luisteren’ ‘in de echoruimte van Celans gehele oeuvre’. In die zin is elk Celan-gedicht – of het nu over Pontoise gaat of over galgen, data, monden of lippen – onmiddellijk te verbinden met zijn beroemdste gedicht, de ‘Todesfuge’,  waarin zo overduidelijk en helemaal niet vluchtig maar direct en stevig verwezen wordt naar het grote drama van de twintigste eeuw, de holocaust.

 

Noten
1 Vertaling van Van Altena uit Villon, Verzamelde gedichten, Amsterdam: Van Ditmar 1963.
2 Paul Celan, Verzamelde gedichten, p. 281.
3 De eerste zin van Derrida’s boek over Celan, vertaald door Ger Groot: ‘Eén keer: een besnijdenis vindt slechts één keer plaats.’
4 Leuven/Apeldoorn: Garant 1992, p. 30.
5 Sjibbolet, p. 30.
6 Sjibbolet, p. 115-116.
7 Idem, p. 115.
8 Idem.
9 Idem, p. 116.
10 Idem, p. 116.
11 Der ununterbrochene Dialog [Le dialogue ininterrompu, 2003] , p. 50.

 

Uitgesproken bij de presentatie van Derrida’s Sjibbolet voor Paul Celan, een vertaling van Ger Groot (Vantilt 2015) te Nijmegen, Boekhandel Roelants, 24 januari 2015.