Vertaaldag  Archief

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

'Locavorisme', 'locafonie', en Erik Orsenna

Isabelle Bambust

De wintervakantie brengt me in Bretagne tot één van de eindes der wereld. De man die ik graag zie en ikzelf kuieren op de Pointe du Raz. Een pannenkoekenwinkeltje trekt onze aandacht. Tussen allerhande streekproducten hangt een affiche die het ‘locavorisme’ promoot. In 2010 erkende het Franse woordenboek Larousse het woord ‘locavore’.

‘Locavorisme’ duidt het fenomeen aan waarbij men alleen producten eet die op eigen bodem werden voortgebracht. Wij kennen mens of dier meestal onder hun benaming ‘-voor’, ‘-iër’, of ‘-ist’ met betrekking tot wat ze eten: carnivoor (vleeseter), vegetariër (eet geen vlees of vis, maar wel eieren en zuivelproducten), veganist (eet geen vlees of vis, en eet of gebruikt geen dierlijke producten), pescotariër (eet alleen vis), omnivoor (alleseter), … De term ‘locavoor’ duidt daarentegen op de plaats van afkomst van de voeding.

Het is net zo met talen – dacht ik bij mezelf: De talige is (hypothetisch) omniglot of polyglot of neerlandofoon of francofoon enz. Maar ook hij kan, gewild, of min of meer gedwongen door een heersend taalbeleid, enkel de gebruikelijke taal of één der gangbare talen spreken van de plaats waar hij vertoeft. Dit laatste verschijnsel zou ik (analoog aan de term ‘locavorisme’) ‘locafonie’ willen noemen.

Er lijkt me op het eerste gezicht geen verband te zijn tussen het locavorisme en de locafonie. Toch bestaat er soms een samenhang tussen taalgebieden en culinaire gewoontes. Tijdens mijn eerste après-noël-luitles, sprak luitleraar Bart Roose met mij over de Franse taalgrens tussen de langue d’oïl en de langue d’oc. Hij preciseerde dat die grens zo goed als samenvalt met de grens tussen respectievelijk het gebruik van boter en het gebruik van olie in de keuken. 

Daar waar de ‘eigen bodem’ bij het ‘locavorisme’ meestal met een bepaalde radius (op de Bretoense affiche betrof het een straal van 250 kilometer) wordt gedefinieerd, is dit niet het geval bij de ‘locafonie’. Het taalterritorialiteitsprincipe  werkt met duidelijk afgebakende taalterritoria. Ook de bestaansredenen van beide fenomenen zijn verschillend. Bij het ‘locavorisme’ wil men vermijden dat voeding duizenden mijlen ver zou moeten reizen. Dit brengt immers nadelen mee voor het milieu, voor de gezondheid van de eter alsook voor de portemonnee. ‘Locafonie’ tracht men te verkopen omwille van het behoud van een zekere bevolkingscohesie, het welzijn van de burgers en de zorg ten aanzien van taaldiversiteit. Een ander belangrijk verschil lijkt me het feit dat het ‘locavorisme’ ook toelaat ‘niet-historische’ producten in beschouwing te nemen voor zover ze in de vastgelegde radius worden gemaakt. Een concrete illustratie: naar mijn mening belet het ‘locavorisme’ niet dat ik bijvoorbeeld ananas op eigen bodem zou trachten te kweken door middel van zelf gecreëerde gezonde artificiële groeiomstandigheden. ‘Locafonie’ onder de vorm van een taalterritorialiteitsprincipe zoals dat van België heeft echter enkel aandacht voor aanwezige historische talen. Inderdaad, België heeft drie officiële landstalen – het Nederlands, het Frans en het Duits – die elk in een onderscheiden gebied van het Belgisch territorium als officiële taal gelden. De aanwezigheid van andere, zogezegde ‘niet-historische’, taalgroepen in België is hierbij niet van belang. Zo een ‘niet-historische’ taalgroep vormen bijvoorbeeld de Italiaanstaligen. De speciale Eurobarometer van 2012 – zie http://ec.europa.eu/public_opinion/archives/ebs/ebs_386_en.pdf – stelt dat 2% van de in België zijnde Europeanen Italiaans als moedertaal heeft.  

Een interessante vraag is waar ‘taalhistorie’ begint en waar ze eindigt. Dit speelt niet alleen een rol bij de status planning omtrent taal – dit zijn tussenkomsten met betrekking tot de status van de taal in de schoot van de staat – , maar ook bij de corpus planning – dit zijn interventies met betrekking tot de taal an sich – , in het bijzonder met betrekking tot het al dan niet aanvaarden van vreemde invloeden. Zo verzet de Franse taal zich fel tegen de invloed van het Engels. In Pont-Croix – mijn Bretoense reis gaat verder – schenkt mijn Geliefde me La Fabrique des Mots (Paris, Editions Stock, 2013) van Erik Orsenna. Het toeval wil dat Orsenna over deze Engelse influentie verhaalt. Op bladzijde 90 staat het volgende te lezen over de visie van de fictieve staatsleider Nécrole:

Orsenna

- […] Chaque jour, on invente des produits nouveaux. Il faut leur donner un nom. Nécrole a décidé que cette activité ne servait à rien, qu’il suffisait d’adopter les mots anglais
- Peu à peu, on perdra notre langue
- C’est ce qu’il veut. C’est plus pratique pour les affaires. Mais les fabricants de mots ont résisté. […]

- […] Elke dag worden nieuwe producten uitgevonden. Die moeten een naam krijgen. Nécrole heeft beslist dat dit een zinloze activiteit is ; het volstaat de Engelse termen over te nemen
- Zo raken we stapje voor stapje onze taal kwijt
- Dat wil hij ook. Dat is handiger om zaken te doen. Maar de woordfabrikanten hebben zich verzet […]

En dit terwijl er in ditzelfde boeiende werkje van Orsenna geen protest is, maar eerder nostalgie, wanneer het gaat om de lang vervlogen Bretoense invloeden op de Franse taal – zie op p. 82:

- Comme sa mère était bretonne, Laurencin s’intéressait un peu plus aux mots venus de sa région: Balai, parce qu’on utilisait beaucoup les branches du gênet, un arbuste qui s’appelle Balan ; et Goéland, l’oiseau marin dont le chant ressemble à un ricanement. Ou à un gémissement. « Pleurer » se dit gwelan en breton. Baragouiner, parce que dans les tavernes, les Bretons demandaient du pain, bara, et du vin, gwin

- Omdat haar moeder Bretoens was, had Laurencin iets meer belangstelling voor woorden die uit haar streek kwamen : Balai, bezem, omdat er vaak takken van de brem voor gebruikt werden, een struik die Balan heet ; en Goéland, zeemeeuw, de vogel wiens roep op hoongelach lijkt. Of op gekerm. “Jammeren” is in het Bretoens gwelan. Baragouiner, Koeterwalen, omdat de Bretoenen vroegen om brood, bara en wijn, gwin

De Engelse invloed is jammer genoeg te begrijpen vanuit een economisch machtsspel – zie p. 95 en 96:

- Et pourquoi cette… dégringolade du français? Pourquoi cette triomphe de l’anglais?
- Parce que les pays qui utilisent cette langue, à commencer par les États-Unis d’Amérique, sont les plus puissants en économie mais aussi les plus actifs en sciences. Plus on invente, plus on découvre, plus on a des choses à dire, plus il faut trouver de mots pour les dire.

- En waarom gaat het Frans teloor? Waarom zegeviert het Engels?
- Omdat de landen waar die taal gebruikt wordt, de USA voorop, economisch de meeste macht hebben, en ook nog wetenschappelijk het meest actief zijn. Hoe meer je uitvindt, hoe meer je ontdekt, hoe meer zaken je te zeggen hebt, des te meer woorden moet je vinden om ze te zeggen.

Bref. Zolang het bij ‘locavorisme’ blijft en de Franse en Belgische ‘locafonie’ niet tot een overdreven (taal)kannibalisme leiden, prijs ik me blij en gelukkig.

Kenavo! (wat ‘au revoir’ in het Bretoens betekent)

 

Isabelle Bambust (Isabelle.Bambust@UGent.be) verricht sinds 2012 onderzoek aan de Universiteit Gent rond de taalbescherming inzake de grensoverschrijdende mededeling van gerechtelijke documenten.