Vertaaldag  Archief

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

Verslag van een leegte

Waarom David Lodge niet in het Nederlands is vertaald

Cees Koster

Wie dagelijks met vertaling bezig is, wil het wel eens vergeten, maar niet-vertaling komt veel vaker voor dan vertaling. Ga maar na: van alle in het Nederlands uitgegeven boeken bestaat hooguit een derde uit vertaalde boeken, al ligt dat bij sommige literaire genres wel hoger. Maar ook andersom geredeneerd geldt de stelling. Vanuit het gezichtspunt van een enkele ontvangende cultuur gezien, wordt er uit het onmetelijk grote repertoire van mogelijke bronteksten altijd meer niet vertaald dan wel. De vraag waarom een werk of een auteur niet vertaald werd of wordt, is in feite niet te beantwoorden. Iets wat niet gebeurd is, maar wel had kunnen gebeuren, leent zich minder makkelijk voor analyse dan iets wat wel gebeurd is, laat staan dat het zich makkelijk verklaren laat. De meeste niet-vertaling zal eerder gebeuren (zo paradoxaal is het verschijnsel: iets wat niet gebeurt, gebeurt zodra je het als zodanig identificeert toch) uit culturele onverschilligheid – er is eenvoudigweg geen reden voor – dan vanuit een duidelijk te omschrijven motief – het niet gebeuren is dan niet te koppelen aan een persoon of institutie.

Dat laat wel alle ruimte voor speculatie over afzonderlijke gevallen. Laat ik die ruimte hier eens nemen.

Dat van het werk van de Britse schrijver David Lodge – een van mijn lievelingsschrijvers; zo’n schrijver waarvan je ongezien elk werk koopt – maar een fractie in het Nederlands is vertaald heeft mij altijd hogelijk verbaasd; en ook wel enigszins gestoken, alsof aan mijn voorliefde zou worden afgedaan door het uitblijven van vertaling van al dat moois.

Lodge

In 55 jaar tijd heeft Lodge zestien romans geschreven, naast een aantal toneelstukken en een heel aantal internationaal gereputeerde literatuurwetenschappelijke studies – hij had de meeste van die jaren een volle baan als hoogleraar Engelse Letterkunde aan de universiteit van Birmingham (in zijn boeken geportretteerd als Rummidge University). Lodge is een schrijver van geestige, erudiete en knap in elkaar gezette boeken, al hebben ze soms iets oubolligs. Het menselijk tekort is nooit ver weg, de (mannelijke) hoofdpersonen lijken nooit helemaal toegerust op het leven, dat ze voor zichzelf dan ook over het algemeen veel ingewikkelder maken dan nodig is. Er zitten een paar constanten in zijn werk, elementen die de ene keer een centraal thema vormen en de andere keer meer op de achtergrond figureren. In de roman waarmee hij doorbrak, The British Museum is Falling Down (1965), komen de meeste elementen bij elkaar: de worsteling met het katholieke geloof van de hoofdpersonen, de universiteit als setting van het verhaal, typisch Britse zelfspot, het sterk intertekstuele karakter en de humoristische, of zelfs satirische stijl. Dit boek gaat over een dag uit het leven van een promovendus die dag aan dag in het British Museum werkt aan een proefschrift over de structuur van de lange zin in drie moderne Engelse romans, maar geen letter op papier krijgt, onder meer omdat hij zich druk maakt over de vraag of zijn vrouw niet zwanger is van hun vierde kind – vanwege hun geloof kunnen zijn als vorm van contraceptie alleen gebruik maken van wat de Vaticaanse roulette wordt genoemd. Stilistisch wordt de roman gekenmerkt door pastiches, nabootsing van vele stijlen, uit vele perioden. De roman mondt uit in een innerlijke monoloog van de vrouw van de hoofdpersoon, die als een pastiche van de slotmonoloog van Molly Bloom uit Ulysses kan worden beschouwd.

British Museum

De bekommernissen van het katholieke leven staan centraal in het vroegere werk (tot 1980), toen de thematiek nog actueel was. Later heeft Lodge zich toegelegd op het genre van de satirische campus novel, waar hij zowel commercieel als literair succes mee heeft gehad, vooral met de Campus Trilogy: Changing Places (over de uitwisseling tussen een Engelse docent Letterkunde van de University of Rummidge en een Amerikaanse hoogleraar van Euphoric State University), Small World (over het internationale reizende circus van de literatuurwetenschap) en Nice Work (over een uitwisselingsproject tussen een feministische literatuurdocente en een fabrieksdirecteur). In zijn allerlaatste werk heeft hij zich toegelegd op gefictionaliseerde schrijversbiografieën van onder meer Henry James en H.G. Wells. Dit jaar heeft hij een (zeer wisselend ontvangen) deel van zijn eigen levensbeschrijving gepubliceerd, Quite a Good Time To Be Born: a Memoir, 1935-75 – in Blackwell in Oxford vond ik er laatst hele stapels van, in Amsterdam in de nieuwe vestiging van Scheltema één exemplaar, wat als tekenend beschouwd mag worden voor het verschil in positie van Lodge in Engeland en Nederland.

Van de zestien romans zijn er twee in het Nederlands vertaald. In 1985 verscheen bij Gottmer Hoe ver mag je gaan?, de vertaling van How Far Can You Go uit 1980. De vertaling was van de hand van Johan Kuin, een uitgetreden priester die literatuurcriticus van de Volkskrant was en docent filosofie aan de Frederik Muller Akademie (waar ik op die ene blauwe maandag dat ik daar heb rondgelopen nog les van hem heb gehad). Hij lijkt me bij uitstek de geschikte persoon geweest voor die vertaling en mijn speculatie is dat hij het boek zelf heeft aangedragen bij Gottmer, dat destijds een nog duidelijker katholieke signatuur had dan nu. Tot uitgave van ander werk van Lodge met een katholiek tintje heeft het niet geleid.

In 1990 verscheen bij De Arbeiderspers Vakwerk, de vertaling door Harry Pallemans van Nice Work, het derde deel dus van de CampusTrilogy. Waarom dit werk vertaald is, is makkelijk te herleiden. In 1989 bracht de BBC er een televisiebewerking van uit, dus de uitgever moet gedacht hebben dat er iets te halen viel. Die hoop bleek tevergeefs, want het is bij één druk gebleven.

Het werk van Lodge is in Nederland dus niet in vruchtbare aarde gevallen, in tegenstelling tot in veel andere landen. Zijn werk is bijna integraal vertaald (inclusief sommige van de literatuurwetenschappelijke werken) in onder meer het Frans, Duits, Italiaans en Japans. Nederland bevindt zich in het gezelschap van de Scandinavische landen.

Zou het iets met de katholieke achtergrond te maken hebben? Vast niet – dan zou in Japan de drempel ook te hoog moeten zijn geweest. Zou het het extreem cultuurspecifieke karakter van de romans kunnen zijn, de ultieme Britsheid ervan en het ontbrekende referentiekader voor de intertekstuele verwijzingen? Dat zou dan toch ook voor de andere talen moeten gelden en overigens ook voor zowat elk serieus werk van letterkunde. Mijn inschatting is dat het ontbreken van vertalingen van het werk van Lodge eerder te maken heeft met het genre van de campus novel, dat in de Nederlandse literatuur zo goed als ontbreekt, zeker wanneer satire daarbij ook als genrekenmerk geldt. Op de vraag eens vijf Nederlandse campus novels te noemen, bijt menigeen de tanden stuk. Onder professoren van Hermans is er een en De Profielschets van Joke Hermsen, maar veel verder kom ik toch ook niet, hoewel er toevalligerwijs zeer onlangs twee zijn bijgekomen: Alle collega’s dood van Nachoem Wijnberg en Maans stilte van Arie Storm. Dat dat gebrek aan cultureel draagvlak vertaling op zich overigens niet in de weg hoeft te staan, blijkt wel uit het feit dat er wel degelijk campus novels in Nederlandse vertaling zijn verschenen, met het oerboek Lucky Jim als beste voorbeeld.

Deaf Sentence

Of deze nieuwe Nederlandse werken de grond vruchtbaar zullen maken voor het werk van Lodge is een academische vraag. Ondertussen is het wel, wat mij betreft, een gemiste kans dat het werk van Lodge in het Nederlands niet beschikbaar is. Het gaat hier weliswaar niet om Schwob-boeken, maar zijn werk is nog uiterst leesbaar. Een mooie kandidaat om mee te beginnen zou Deaf Sentence zijn, een roman over een emeritus hoogleraar Engelse taalbeheersing, wiens toenemende doofheid hem van misverstand naar misverstand doet struikelen, en die zich steeds onzekerder voelt in zijn huwelijk en in de relatie tot zijn dementerende vader. Het is een droevig en geestig boek tegelijk. Zo blijkt op een goed moment dat hij zich tijdens een gesprek waarvan hij nog niet een kwart heeft verstaan heeft laten strikken om een proefschrift te begeleiden over de stilistische eigenheid van zelfmoordbrieven, wat tot overtuigende parodistische passages leidt, maar evengoed tot doorleefde, wrange overwegingen van de hoofdpersoon over zijn lot. Doofheid, zo zegt Lodge, is een aandoening met komische aanleg, waar blindheid het tragische zou vertegenwoordigen. Dat komische komt niet het minst door alle talige misverstanden, die voor de vertaler een flinke kluif vormen. Dat Lodge zich dat realiseert, blijkt uit het feit dat het boek aan al zijn vertalers is opgedragen. Jammer toch, dat in dat rijtje een Nederlander ontbreekt.