Vertaaldag  Archief

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

Een parfumeriegevoel

Rien Verhoef

In een krantenartikel over Utrechtse hoogopgeleiden die opmerkelijk massaal ongeschoold werk doen, lees ik een uitspraak waar mijn mond van openvalt. Leander (28) werkt in een restaurantkeuken. ‘Zijn haren heeft hij bedekt met een zwarte doek als hij in de keuken aan de slag gaat. Deze afgestudeerde vertaler Engels-Nederlands kwam er na zijn universitaire studie achter dat hij er “niets aan” vond, het werk als vertaler. Daarom deed hij ook nog een hbo-opleiding diëtiek. Nu werkt hij 32 uur per week als kok […], maar uiteindelijk hoopt hij aan de slag te gaan als diëtist.’

Een uurtje later stap ik op de fiets om met het oog op de aanstaande verjaardag van mijn geliefde een crème velours pour le corps te gaan kopen – iets heel anders toch dan een body cream of milk. Als ik in de parfumerie ook nog eens door een Française word geholpen, betaal ik fluitend voor de Chanel cinq wat voor Chanel vijf misschien toch minder van harte zou zijn gegaan.

Weer thuis lees ik nog eens het prachtstuk van Karel van het Reve dat tot mijn grote plezier dezer dagen op Vertaalverhaal.nl zal verschijnen. Met zijn onderkoelde ironie plaatst hij mijn parfumeriegevoel weer in het juiste vertalersperspectief. Hij beschrijft de werkwijze van een groep vertalers met wie hij eind jaren zestig, begin jaren zeventig in zeven jaar tijd ‘Het schot’ van Poesjkin vertaalde: ‘Wij meenden dat er niet meer dan een stuk of vijftig manieren waren om pjat’ let tomu nažad ja zenilsja te vertalen (we werden het meen ik eens op “vijf jaar geleden ben ik getrouwd”). Wat wij nu deden was dit: wij zetten de meeste van die mogelijke vertalingen naast elkaar en kozen daar één van. Daarbij bleven wij zo dicht mogelijk bij het origineel en probeerden wij ons niet in de war te laten brengen door de mensen die steeds maar weer zeggen dat pjat’ een heel andere “gevoelswaarde” heeft dan “vijf”. Wij wilden dat best geloven, maar we hielden ons toch aan “vijf”.’

Ik bedenk dat dit eigenlijk een soort nuchtere uitwerking is van een uitspraak die doorgaans aan Van het Reve wordt toegeschreven, maar waarvoor hij zelf verwees naar Boutens, en meer in het bijzonder de vertaler Boutens, die ergens gezegd of geschreven zou hebben: je moet vertalen wat er staat. In zijn dankwoord bij de uitreiking van de Nijhoffprijs zei Van het Reve hierover in 1979: ‘Ik kan mij nog herinneren dat Binnendijk [de beroemde dichter en criticus ‘D.A.M.’, zijn leraar Nederlands op het Vossiusgymnasium] bij het citeren van die uitspraak van Boutens een zeer hooghartig en streng gezicht trok, en terwijl hij die woorden uitsprak werd ik voor de rest van mijn leven een fanatiek aanhanger en verdediger van de mening dat het de taak van de vertaler is om te vertalen wat er staat. Dus niet vertalen wat je denkt dat er zou moeten staan, niet vertalen wat je zelf op die plaats geschreven zou hebben, nee, alleen maar vertalen wat er staat, niets meer, niets minder.’

P.C. Boutens, door J.H. Toorop (1908)

Zeker. Al zeg ik er zelf wel altijd bij: tenzij letterlijke vertaling – soms onbedoeld – onzin oplevert. En dan denk ik terug aan een sprekend voorbeeld uit het eerste jaar van mijn vertaalcarrière, het jaar waarin ik samen met Anneke van Huisseling en Sjaak Commandeur De avonturen van Augie March van Saul Bellow vertaalde. Daarin stuitten we op een zonderling die een boek over de bijzondere problemen van de rijken wilde schrijven. Hij was van plan dat boek The Needle’s Eye te noemen. Dit had te maken met Mattheus 19:24 en Marcus 10:25, waar u kunt lezen: ‘... het is lichter dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods (Matt.) / in het Koninkrijk Gods inga (Marc.)’ (Grappig overigens, dat verschil in volgorde dat de evangelisten binnen de Statenvertaling van de Bijbel in de mond wordt gelegd.) Die auteur in spe verwees met de titel van zijn denkbeeldige boek dus naar deze passage en normaal gesproken zouden wij The Needle’s Eye met Het oog van de naald hebben vertaald. Ware het niet dat dit in het Nederlands een pregnant onderdeel is van een uitdrukking die het Engels niet kent en dat daarmee de situatie zou ontstaan dat de Amerikaanse lezer het misschien níét begrijpt, maar de Nederlandse lezer het onherroepelijk ver­kéérd begrijpt en denkt aan iets als een ontsnapping op het nippertje – getuige ook het boek van J.W. Hofstra uit 1955 dat daadwerkelijk Het oog van de naald heet en waarin iedereen ter­nauwernood de dans ontspringt. Onze uiteindelijke oplossing was een truc: De rijke en het oog van de naald, waarmee de Neder­landse lezer min of meer gelijke kansen kreeg als de Amerikaanse om de verwijzing te begrijpen (al was ook dat natuurlijk nog maar de vraag, gelet op de verwaterende bijbelvastheid in ons land).

Arme Leander die dit alles voortaan aan zich voorbij zal laten gaan…