Vertaaldag  Archief

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

Icara en de vertaalhemel

Ton Naaijkens

Bij het ontbijt worden je de raarste vragen gesteld. Zoals deze: als een meisje een hoogvlieger is heet ze dan hoogvliegster? Al lepelend in een zachtgekookt eitje dacht ik van niet, maar mijn fantasie werd geprikkeld en mijn eitje was op voor ik er erg in had. Dit speelde zich af in mijn hoofd: als ik een dichter was zou ik gaan schrijven over een vrouw die Icara heette en met één klap neerviel uit haar stoutste dromen (desgewenst zou ze ook het luchtruim boven de Bardarbunga hebben uitgekozen); als romancier zou ik haar neerzetten in deze tijd en politica laten worden die haar mannetje moet staan in wereldconflicten – een soort Jeanine Hennis die moet reageren op de agressie van Poetin en consorten. Maar ik ben maar een eenvoudige vertaler en vertaalwetenschapper, dus moet ik iets anders met haar. Ik maak haar gewoon vertaalpiloot, dacht ik, een vrouw die aan de helder blauwe hemel goed zichtbaar is, ambities toont en opgewassen blijkt tegen alle twijfels die het vliegen en vertalen zo in en in kenmerken. Of is het vertaalpilote? In de Dikke van Dale heeft pilote geen lemma; ergens onder piloot tref je het woord wel aan, als variant. Maar hoogvliegster bestaat nergens. Wel komt de definitie van hoogvlieger hard aan: ‘iemand wiens gedachten een hoge vlucht nemen’. Ik moet me intomen en bij de les blijven. Ontbijten is belangrijk voor je gezondheid en we openen niet voor niets een zwaar nieuw studiejaar.

Maar bij nader inzien heeft dit alles met vertalen en leren vertalen te maken – in Duitsland zou je Jeanine, die niet haar vrouwtje maar haar mannetje staat,  ‘Ministerin’ kunnen noemen, in de Verenigde Staten zou ze de titel dragen van ‘Secretary of Defense’, terwijl secretary terugvertaald bij ons weer iets geheel anders zou opleveren (tussen haakjes: wat een enorme kloof doemt er niet op tussen de woorden secretaris en secretaresse). Taal voldoet voor geen meter, is de conclusie, en de zaak aan elkaar plakken met behulp van andere talen is ook geen doen. En degene die dat het pijnlijkst aanvoelt is de vertaler c.q. vertaalster (dat laatste ook een woord dat ‘geen resultaten’ kent in de Van Dale maar wel als vrouwelijke variant geldt): die is doordrongen van de principiële asymmetrie der talen, die voelt de verschuivingen als het ware over haar huid glijden als de wind tijdens de vrije val uit haar vertaalhemel. Maar er zijn nog altijd mensen die dat helemaal niet zien, die van verschuivingen geen kaas gegeten hebben en er plompverloren van uitgaan dat het een het ander is: direct en onproblematisch – ‘restlos’, waarom in godsnaam hebben wij ook dat woord niet – vervangbaar. Ik liep vorige week naar de koffieautomaat in de gemeenschappelijke docentenruimte in het pand waar ik werk, bij de postvakken. Daar was op het prikbord een kaart geplakt die eerder door het Expertisecentrum Literair Vertalen vriendelijkerwijs verdeeld was onder al mijn collega’s. Het zijn kleurrijke kaarten met citaten uit de wereldliteratuur, in vertaling. De bewuste kaart (aangetroffen op prikbord Trans 10, zaal 07, op 19 augustus 2014, 11 uur 33; bewijsstukken moet je boekstaven, wie weet waar het goed voor is) was de kaart met de eenvoudige zin waarmee Virginia Woolf de roman Mrs Dalloway opent waarvan Boukje Verhey vorig jaar een nieuwe vertaling leverde:

Mrs Dalloway said she would buy the flowers herself.

Mevrouw Dalloway zei dat ze de bloemen zelf wel ging kopen.

Daar was het volgende bijgekrabbeld: ‘yes, so, and.…??’ (ja, vier punten, twee vraagtekens). Dat betekent zoveel als ‘so what’ dus, zoals we tegenwoordig in het vertaalmoeë Nederlands plegen te zeggen (vertaalmoe: het woord dat ik deze week aan mijn Nederlandse idioom heb mogen toevoegen luidt fascinator).

Week 36_briefkaart

Welnu, deze bekladderaar van fraai drukwerk heeft geen zicht op wat een vertaler doet. Hij mist de zichtbaarheid die zich onmiddellijk aftekent, bijvoorbeeld dat Mrs Dalloway niet analoog aan Madame Bovary Mrs Dalloway blijft heten, maar mevrouw wordt genoemd – ongetwijfeld een beslissing waar wel een paar nachtjes over geslapen is, zowel bij de vertaalster als bij de uitgever. En waar moet dat zelf staan – dat ze zelf de bloemen wel ging kopen (waarna in de volgende versie ‘wel’ kan sneuvelen)? En ‘ging kopen’, of ‘zou kopen’? Ik ren naar de boekenkast om bevestigd te krijgen dat de yes-so-and-vierpunten-tweevraagtekens-persoon het ook historisch mis heeft. En ja hoor, de oude vertaling van Nini Brunt uit 1948 heeft dit:

 Mrs Dalloway zei dat ze zelf de bloemen zou kopen.

Daarmee waren in ieder geval mijn verontwaardiging en mijn ietwat overdreven opwinding getemperd. Er zijn ergere dingen om je druk over te maken.

Bijvoorbeeld dit, het stuk dat Joost de Vries in juni van dit jaar schreef naar aanleiding van de Webfilter-column van Saskia van der Lingen, Irene Spijker en Arend Jan Bolhuis die de omineuze titel 'Het aambeienplagiaat' droeg. Daarin werd uitgelegd dat Guus Kuijer in zijn driedelige bestsellerreeks De Bijbel voor ongelovigen zonder bronvermelding hele delen overneemt uit de Nieuwe Bijbelvertaling uit 2004. Een onaangename zaak natuurlijk, heel wat anders dan de rechercheur uithangen vanwege een ansichtkaart, maar wel wezenlijk. Het pleit was in feite ook meteen beslecht in het voordeel van de columnisten, want de overname is evident en zal in de nieuwe drukken ook worden vermeld. Toch probeerde De Vries Guus Kuijer te verdedigen, begrijpelijk natuurlijk, want wie is niet opgegroeid – of heeft doen opgroeien – met Madelief, de krassen in het tafelblad van grote mensen, van wie je beter soep kan koken. Die emotie is sterk zichtbaar in dit argumentatieve stuk. Maar De Vries polemiseert en legt erg de nadruk op de miskenning die de vertalers voelen, waarmee een andere emotionele, gevoelige kant van de affaire wordt aangestipt. Hij kiest overduidelijk de kant van Kuijer en gaat daarin zeer ver – en ook eenmaal over de schreef. Als hij het actuele thema van de zichtbaarheid van de vertaler en diens auteurschap aanhaalt, zegt hij dit: ‘Daarmee zijn we weer bij een heel ander debat aanbeland, breek me de bek niet open, waarin vertalers de auteur naar de kroon willen steken (het is wachten tot de eerste VN-tolk de Nobelprijs voor de vrede claimt, want zonder hem geen bemiddeling, toch?).’ Dat laatste zinnetje staat tussen haakjes maar het is de gotspe van het jaar natuurlijk (voor wie het niet gelooft: De Groene, 26 juni 2014, p. 54). Eerlijk gezegd – maak ik mezelf wijs – had het nog erger gekund, want per slot van rekening gaat het om woorden uit een heilig boek en wie is daar de schrijver van. Dan zouden de vertalers God naar de kroon hebben willen steken. En nu is het Guus Kuijer maar, het valt al met al dus best mee.

 

Uitgesproken bij de verwelkoming van de nieuwe lichting masterstudenten Vertalen en Literair Vertalen, Universiteit  Utrecht, 1 september 2014.