Het vertaaljaar 2017 – De betrokken vertaalhemel    9-26

Ton Naaijkens

Waar begint het gezicht van een vis, schreef Yoko Tawada, en waar houdt het op? Althans, het was niet de ook in het Duits schrijvende Japanse dichteres die dat schreef maar Bettina Brandt en Désirée Schyns deden dat, acht jaar geleden.2 Tawada was onlangs op tournee in Nederland en na afloop had ik het genoegen Syrisch met haar te eten. Ook wat vis, gezichtsloos. Het gesprek richtte zich even vaak op het onderwerp vertalen als er schaaltjes op tafel stonden. Ze vertelde onder meer dat vertalers in Japan inmiddels een hogere status hebben dan schrijvers en in overvolle zalen voordragen uit hun oeuvre. Onder luid applaus tussendoor en na afloop. Bemiddelen tussen mensen staat er hoger in aanzien dan je als uniek individu westers te profileren. Dat was haar verklaring. Ik nam nog een hapje humus, mijn avond kon niet meer stuk, ik was in de juiste stemming om me vol goede moed op het afgelopen vertaaljaar te storten.

Tot ik de volgende dag met de neus op mijn eigen feiten werd gedrukt. Welkom gij allen in de jubileumjaargang van Filter, wilde ik uitroepen, welkom in dit nieuwe, spannende vertaaljaar waarin wij terugblikken op het vorige. Ik nam me voor in te zoomen op elke feestelijkheid die ik tegenkwam. Maar de werkelijkheid wilde dat ik somber werd. Ooit spraken we van een bloeiende vertaalcultuur in ons taalgebied, maar ik heb intussen mijn twijfels. De kwaliteit van wat er momenteel aan vertalingen geboden wordt – daar zit volgens mij de klad in. Een zinnetje als ‘een treurig stemmende [...] vertaling die vooral weer eens aantoont dat vertalen een vak is dat niet iedereen beheerst’ mag wat mij betreft vaker opduiken in de geesten van de goegemeente. Het stamt van de op dit terrein onverdachte Sylvia Witteman, mede naar aanleiding van een hertaling in hedendaags Nederlands van Kees de jongen, die zij goed bedoeld noemt maar mislukt en bovendien – Sylvia kan dodelijk zijn – ‘volstrekt overbodig’.3 De echo van deze opmerking weerklinkt steeds vaker, ook tussen mijn eigen verzuchtingen. Het amateurisme viert hoogtij, zeg ik dan, iedereen doet maar wat, vertalen leer je in een handjevol avondcursussen en een enkele workshop in plaats van in een gedegen, lange opleiding, en bovendien: wat let je om zomaar een vertaling op de markt te gooien? Ongeschoold, onbevangen, van alle gêne ontdaan. Je zegt openlijk dat je nooit eerder vertaald hebt, maar dat het je een grote vreugde is geweest die je vervulde met al het creatieve genot dat je poriën maar konden voelen (pathos is dan goed). Het amateurisme viert hoogtij en allerlei zaken worden verdacht. Zo valt het mij op dat er steeds meer Duitse boeken op de markt verschijnen die vertaald worden door vertalers – hoe goed ook – die doorgaans te boek staan als vertalers uit een andere taal. Ook hier verschuiven blijkbaar de normen, drastischer dan ik eerder vermoed heb. Maar misschien gaat het daar om een andere vorm van amateurisme, sterker nog: het woord past misschien niet. Het gaat blijkbaar om meer – ik wil de zaken uit elkaar houden en kijken wie van wat nou precies kaas heeft gegeten, en dan ook nog: welke kaas? Die van het vertalen, die van het opleiden of die van hoe je eenentwintigste-eeuwse professionaliteit opvat?

Dit wordt dus een somber stuk, doorschoten met lichtpunten. Ik houd een dna-structuur aan, de dubbele helix van mijn stemmingen. De ene streng is zwart en grumpy, de andere licht en vrolijk. Wie zit zo niet in elkaar? Ik schrijf dit met een pennetje van het merk Le Pen: symbool van mijn verscheurdheid. Wie zal het zeggen?

Lees verder in de papieren Filter