Een Schots waagstuk    34-36

Alasdair Grays Lanark vertaald

Rob Kuitenbrouwer

Mijn moeder was Schots, mijn oma woonde in Glasgow en ik ben er van jongs af aan vaak geweest. Zo heb ik ook de naoorlogse Schotse schrijvers Alasdair Gray, James Kelman en Agnes Owens (mijn privé-topdrie) leren kennen. Helaas is van Kelman alleen How Late it Was, How Late in het Nederlands vertaald (als Blind geschopt, door Guido Golüke), en van Gray alleen 1982 Janine, een curieuze zijlijn in zijn oeuvre (ook door Guido Golüke). Als vertaler heeft mij het ‘leuren’ met grote Schotten alleen een mooie serie Ian Rankins opgeleverd, meer niet.

Lanark van Alasdair Gray, verschenen in 1981, wordt vaak genoemd als hét meesterwerk van de twintigste-eeuwse Schotse, of misschien zelfs Britse literatuur, en niet voor niets. Het trof mij eind jaren tachtig als een hamerslag (of liever, want het telt ruim 560 bladzijden, als een serie hamerslagen). Dan lees ik dertig jaar later dat de vrij jonge uitgeverij Koppernik een Nederlandse vertaling van Lanark (door David Grävling) gaat uitgeven en ligt die al onverwacht snel in de boekwinkel. Ik zie natuurlijk groen van jaloezie, want ik had er een arm en een been voor overgehad om dat te mogen doen. Ik koop het boek direct, sla het open – en kan het (weer) niet wegleggen. Het levert me een heel vreemde leeservaring op, waarvan ik graag kort verslag doe.

Lees verder in de papieren Filter