De vertaling van de ondergang van het avondland    40-45

Henri Bloemen

Vorig jaar verscheen de Nederlandse vertaling van Oswalds Spenglers Der Untergang des Abendlandes, nagenoeg een eeuw nadat het origineel (1918) met zijn even catchy als omineuze titel de gemoederen danig beroerd had, ook buiten het Duitse taalgebied. Het werk voorspelde, eenvoudig gesteld, dat in het Avondland, hoe kan het ook anders als je zo heet, het licht zou uitgaan. Het deed die voorspelling met een wetenschappelijke stelligheid en combineerde zo de in die tijd grasserende morbide ‘Lust am Untergang’ met een branie die komaf leek te maken met de op het verleden gerichte en dus voor het praktische leven nutteloos geachte cultuurfilosofische beschouwingen. Spengler ontwierp naar eigen zeggen een ‘morfologie’, een vormenleer van de wereldgeschiedenis die in feite neerkwam op een vrij eenvoudige analogie tussen ‘onze’ westerse cultuur en zeven vergane hoogculturen uit het verleden, waarvan Spengler de opkomst, de bloei en de ondergang bestudeerd had om er vervolgens een universeel ondergangsmechanisme uit af te leiden. Hij ziet bijvoorbeeld gelijkenissen tussen de laat-Romeinse, algemeen als decadent beschouwde keizertijd en ‘onze’ tijd (ik plaats ‘ons’ tussen aanhalingstekens omdat ik problemen heb met die inclusie). Filosofisch betrekt Spengler daarmee stelling tegen een geschiedenisconcept dat de geschiedenis weliswaar ziet eindigen, maar wel goed ziet eindigen. Eeuwenlang heersten hier te lande religieus-messiaanse opvattingen die de historische spanningen zagen eindigen door een buitenaardse ingreep. Het Duitse idealisme roomde het religieuze schuim af en zag in de geschiedenis de verwerkelijking van de rede, het marxisme zag het toekomstige paradijs nog wat aardser. Tegen die goedaardige teleologische geschiedenisopvattingen plaatst de pessimist Spengler zijn fatale ondergangslogica. Spengler probeert zijn gelijk te onderbouwen met talloze voorbeelden uit vele verschillende gebieden: sociologie, taalkunde, staatskunde, recht, economie, filosofie, psychologie enz. Zijn gedrevenheid om overal bewijzen voor de neergang te detecteren heeft hem wel vaker de kritiek opgeleverd dat hij zich (hij was natuurkundige en mathematicus van opleiding) als een dilettant door al die genoemde wetenschappen bewoog en wel het een en ander ‘rechtbreide’, om een woord uit de vertaling te gebruiken (2, 67).

Lees verder in de papieren Filter