De vertaler als circusartiest    37-39

Een grillige zomer van Vladislav Vančura

Eric Metz

Dit jaar is het honderd jaar geleden dat Tsjechoslowakije als zelfstandige staat uit de ruïnes van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie verrees. De onafhankelijkheid van het land betekende, met name in het Tsjechische gedeelte, een belangrijke impuls voor het literaire leven: nieuwe tijdschriften en uitgeverijen zagen het licht en de avant-gardecultuur vierde hoogtij. Het interbellum was ook de tijd waarin Tsjechische schrijvers, dankzij vertalingen, voor het eerst een internationale doorbraak kenden. Jaroslav Hašek met De lotgevallen van de brave soldaat Švejk en Karel Čapek met zijn dystopische toneelstukken en romans groeiden in korte tijd uit tot gecanoniseerde vertegenwoordigers van de ‘wereldliteratuur’. Beide auteurs genieten ook vandaag bekendheid in het Nederlandse taalgebied – vooral Čapek dan, van wie Irma Pieper regelmatig een nieuwe roman vertaalt of hervertaalt. Toch debuteerde in de jaren twintig een schare aan getalenteerde Tsjechische schrijvers die bij ons nauwelijks gelezen worden, in de eerste plaats omdat er weinig of geen vertalingen voorhanden zijn. Voor Vladislav Vančura (1891–1942) komt daar nu – zo valt te hopen – wellicht verandering in. In 2017 verschenen bij Pegasus twee boeken van hem, als derde en vierde uitgave in de recent gelanceerde serie oost!: de novelle Een grillige zomer (Rozmarné léto, 1926) en drie verhalen die werden ondergebracht in de bundel Herberg ‘De goede luim’ (Dobrá míra, 1931). In beide gevallen tekende Kees Mercks voor de vertaling. Volgens mij is vooral Een grillige zomer een uitdaging voor vertalers, vanwege de stilistische eigenaardigheden (inderdaad: grillen, bokkesprongen) die het boek kenmerken. Slaagt de Nederlandse vertaler erin Vančura’s stijl over te brengen, dan ontstaat een manier van spreken of schrijven die we niet kennen van de Nederlandse literaire traditie.

Lees verder in de papieren Filter