Vertalen wat er niet staat    47-50

Philippe Noble

Oplettende lezertjes – zoals Maarten Toonder placht te zeggen – weten zich misschien nog te herinneren dat ik in mijn laatste column een beetje schamper deed over de ‘Ode aan de vertaler’ die drie schrijfsters – Saskia De Coster, Lieve Joris en Els Snick – begin dit jaar op verzoek van het Vlaams Fonds voor de Letteren moesten aanheffen. Ik maakte me vrolijk over het feit dat hun loflied niet langer dan vijf minuten mocht duren, maar beging daarbij zelf de fout hun bijdragen in twee of drie zinnetjes af te doen, wat beslist geen recht deed aan de kwaliteit of de intentie ervan. En hoewel ik geen protestbrief van de betrokkenen mocht ontvangen (zeer waarschijnlijk omdat zij mijn kroniekje niet hebben gelezen) zou ik dit vertekende beeld nu graag willen rechtzetten. Op z’n minst in één geval, dat van Lieve Joris.

Naar de weg vragen
Op die bewuste avond bracht Lieve Joris een ontroerende hommage aan haar overleden Turkse vertaler, die na lange jaren in Nederland te hebben gewoond terugging naar zijn geboorteland, maar daar totaal niet meer kon aarden. Vertalers brengen niet alleen twee talen in contact, zij leven ook in of tussen twee culturen, met soms alle gevaren van dien. Besprak de schrijfster met hem vertaalproblemen? Vast wel, maar voorbeelden daarvan gaf ze niet; daarvoor had ze ook geen tijd. Dat betreurde ik, want juist Lieve Joris staat bekend om haar grote aandacht voor vertalingen van haar werk en haar diepgaande, veeleisende samenwerking met haar vertalers.

Dat heb ik zelf mogen ervaren toen ik als redacteur betrokken was bij de Franse vertaling van Op de vleugels van de draak, haar reisboek over China en Afrika uit 2013. Zoals in haar eerdere boeken citeerde Lieve Joris ook hier uitgebreid uit de lange gesprekken die zij had gevoerd met getuigen of actieve medespelers bij de door haar beschreven ontwikkelingen. De vertaalster, Arlette Ounanian, had haar best gedaan om deze dialogen in hedendaags, colloquial Frans weer te geven en op het resultaat had ik dan ook niets aan te merken. Maar het ging daarbij in zekere zin om een ‘terugvertaling’, want de auteur had deze gesprekken weliswaar in het Nederlands opgetekend, maar in werkelijkheid in het Frans gevoerd. Of beter gezegd in de plaatselijke varianten van het Frans, zoals dat gebezigd wordt in Mali, Kameroen, Congo-Brazzaville of de RDC, de Afrikaanse landen die Joris voor haar onderzoek bezocht. Deze specifieke vormen van het Frans staan in Frankrijk bekend onder de enigszins bedrieglijke verzamelnaam ‘français d’Afrique’. En de schrijfster vond dat de typische uitdrukkingen en zinswendingen van dit ‘français d’Afrique’ ook in de vertaling moesten doorklinken.

Lees verder in de papieren Filter