Tussen Judas en Invisible Man    43-46

Philippe Noble

Een bevriende lezeres, telg uit een oud geslacht van theologen uit Kampen, stuurde me een mail waarin ze me er welwillend op attent maakte dat ik het in mijn voorgaande columns uitsluitend over mijn eigen vertalingen heb gehad. Dat moest ik toegeven; ‘maar’ – voerde ik ter verdediging aan – ‘op deze vertalingen kijk ik met een uitgesproken kritische blik terug’. Volgens mijn correspondente gold dat echter nauwelijks als verzachtende omstandigheid: ‘In deze navelstaarderij,’ schreef ze terug, ‘schuilt toch hoe dan ook het gevaar van hovaardij.’ Daar had ik niet van terug. Was dat erg, hovaardij? Omdat ik het woord niet elke dag tegenkom greep ik naar de Van Dale:‘de zucht om op eigen voortreffelijkheid of aanzien te pochen’, oordeelde het woordenboek. Oei. Toen sloeg ik er nog de Trommiusop na. Juist, Abraham Trommius, die in de laatste decennia van de zeventiende eeuw, helemaal zonder hulp van Google Scholar, deze fantastische data base opzette, de Nederlandse Concordantie van de Bijbel, een instrument dat in de boekenkast van geen vertaler uit het Nederlands mag ontbreken.Daar was het zo mogelijk nog erger. Zo bijvoorbeeld in Jes. 14:11, ‘Uw hovaardij is in de hel nedergestort, met het geklank uwer luiten; de maden zullen onder u gestrooid worden, en de wormen zullen u bedekken.’ En nog veel meer, dat ik hier onvermeld laat. Geen kattenpis, zou ik zeggen. Ik heb me dus voorgenomen om mijn luit (in deze bijdrage althans) niet meer te laten klinken en mij uitsluitend met vertalingen van anderen te bemoeien. Met de prettige bijkomstigheid dat ik daar dan wél de loftrompet over mag steken.

Lees verder in de papieren Filter