Taalman in oorlogstijd    26-33

Vlaamse tolken tijdens de bezetting van België (1940–1944)

Sien Degeest

De neutraliteit van een tolk is een van de voornaamste discussiepunten tussen tolken en in de tolkwetenschap. Al zo lang er relaties tussen verschillende taalgemeenschappen bestaan, wordt er een beroep gedaan op tolken. Toch zijn reflecties over de rol van tolken, over hun neutraliteit en beroepsplichten vrij nieuw. Echte tolkopleidingen zijn er pas gekomen na de Tweede Wereldoorlog; daarvoor waren er algemenere talenopleidingen die soms naar de beroepspraktijk van tolken verwezen, en bijscholingen binnen bepaalde beroepsgroepen. In 1951 werd de Association Internationale des Interprètes de Conférence (aiic) opgericht. Zij heeft onder meer gedragscodes voor tolken opgesteld, waarin discretieplicht, neutraliteit en ethisch verantwoord handelen centraal staan.

Of die principes in elke context gehandhaafd worden, is nog maar de vraag, maar dat neutraliteit een probleem vormt wanneer tolken actief zijn in conflictsituaties, ligt voor de hand. In dat verband hebben de aiic en de vertaal- en tolkopleiding in Genève recent een aantal initiatieven genomen. Zo publiceerde de aiic een handleiding over ethiek voor oorlogstolken en bood de universiteit in Genève tolken in oorlogssituaties een ‘face-to-face-training’ aan (Baker 2013). Daarbij is meestal geen sprake van een klassiek opgeleide tolk, maar eerder van een soort ‘tussenpersoon’ die de communicatie tussen bijvoorbeeld het leger en de plaatselijke bevolking kan vergemakkelijken.

Lees verder in de papieren Filter