Oorlog en cultureel geheugen    34-42

Hölderlinherdenkingen in Vlaanderen

Elke Brems
Jan Ceuppens

Cultureel erfgoed is van oudsher een van de middelen voor natiestaten om zichzelf intern te consolideren en naar buiten toe te profileren. Dat gebeurt bij uitstek in tijden van politieke onrust of oorlog, en het was en is onder totalitaire regimes nog duidelijker dan elders. Ook de Duitse nationaalsocialisten hebben vanaf 1933 het beeld van de (eigentijdse en klassieke) Duitse cultuur helemaal ‘gelijkgeschakeld’ met de eigen ideologie, en niet alleen in Duitsland; tijdens de oorlogsjaren hebben ze geprobeerd de in hun ogen waardevolle Duitse cultuur, met name de literatuur, ook in de bezette gebieden uit te spelen als bewijs voor de superioriteit van de eigen natie. De bevoegde instanties speelden in de eerste plaats op veilig door met klassieke auteurs uit te pakken die ook in het buitenland als zodanig erkend werden. Daar was echter wel enige manipulatie voor nodig. Het voor de hand liggende boegbeeld, Goethe, liet zich maar moeilijk als patriottisch auteur instrumentaliseren. Met de iets ‘Duitsere’ Schiller ging dat al makkelijker, en zijn 175ste verjaardag in 1934 werd dan ook met allerlei offi­ciële plechtigheden door de partij gevierd. Heinrich von Kleist is in de jaren dertig en veertig op een, om het zacht uit te drukken, eenzijdige manier als politiek voorloper van het nationaalsocialisme gepresenteerd (zie hiervoor Albert 1994). Maar het misschien wel meest frappante geval van manipulatie is Friedrich Hölderlin (1772–1843). Zijn late hymnen over een beter Duitsland, waarin de scheiding tussen het menselijke en het goddelijke, tussen natuur en cultuur overwonnen zou zijn, en het feit dat hij in een brief met de term ‘vaderlandse gezangen’ naar die gedichten verwees: het leek allemaal probleemloos te passen in het nazidiscours. Daarnaast werd Hölderlins eigen tragiek – zijn ‘waanzin’, die geduid kon worden als een gevolg van de historische omstandigheden – vaak nog gerelateerd aan de tragiek van de filoloog die hem rond de eeuwwisseling opnieuw ontdekte: de in 1916 in de loopgraven bij Verdun gesneuvelde Norbert von Hellingrath. Dat Hölderlin zelf in de revolutiejaren de kant van de jakobijnen gekozen had, dat hij de Franse bezetting van de linker Rijnoever toejuichte, dat hij poëtisch gezien radicaal brak met de tradities en daarmee bij zijn tijdgenoten op onbegrip stuitte, dat alles werd in de nationalistische interpretatie verdonkeremaand.

Lees verder in de papieren Filter