De ironische vertaling: Kommandant in Auschwitz    6-15

Anneleen Spiessens

In het volgende wil ik trachten, over mijn diep-innerlijk leven te schrijven. Ik wil trachten, uit mijn herinnering alle belangrijke gebeurtenissen, alle hoogten en diepten van mijn psychisch leven weer te geven. (Höss 1960: 23)

 

Zo opent Rudolf Höss zijn memoires, waarin hij met een zekere trots zijn hoofdrol als historische getuige van de nazikampen en de Endlösung opeist. Höss was inderdaad een ‘specialist’ in de materie: hij leidde Auschwitz van mei 1940 tot december 1943, een periode waarin het complex gevoelig werd uitgebreid en het vernietigingsprogramma is ingevoerd. Hij werd op 11 maart 1946 gearresteerd, overgeleverd aan de Poolse autoriteiten en door het hooggerechtshof ter dood veroordeeld. Op 16 april 1947 werd hij terechtgesteld: ophanging op de plek van zijn misdaden, vlak bij het crematorium van Auschwitz i. Tussen oktober 1946 en april 1947, terwijl de commandant in de gevangenis van Krakau zijn proces afwachtte, schreef hij zijn autobiografie.

Het manuscript werd in 1958 uitgegeven door historicus Martin Broszat (naar deze uitgave zal in dit artikel worden verwezen met de letter D gevolgd door het paginanummer). Een jaar later verscheen het boek in Groot-Brittannië. De Britse editie van 2000 (GB) is een heruitgave van Constantine FitzGibbons originele vertaling uit 1959 en voegt onder andere een inleiding toe van Primo Levi. Ruim 33 jaar na de eerste Engelse versie bracht Steven Paskuly, een leerkracht Duits in de Verenigde Staten, het boek in 1992 uit in een nieuwe vertaling van kampoverlevende Andrew Pollinger (VS).

Het lijdt geen twijfel dat de memoires van Rudolf Höss prangende vragen oproepen over de omstandigheden waarin de getuigenissen van de beul tot stand zijn gekomen en worden verspreid. De Duitse redacteur stelt het boek uitdrukkelijk voor als een belangrijke ‘historische bron’ (D 19). In zijn ogen is het een uniek document vanwege de discrepantie tussen de werkelijke ‘persoonlijkheid en mentaliteit’ van de auteur (D 13) en het beeld dat de verteller tracht op te roepen in zijn tekst, waarin zijn rol als pater familias en ‘gevoelsmens’ wordt benadrukt. Wat Höss ons onbewust bijbrengt, zo meent Broszat, vormt daarom het boeiendste aspect van zijn persoon (D 19).

Het is namelijk de wijze waarop het relaas is geschreven die de memoires opmerkelijk maakt. Zelf noemt de commandant zijn schrijfstijl ‘ongekunsteld’ (ungekünstelt, D 233), waarbij het niet-literaire aspect van de notities bewijs moet leveren van hun feitelijke karakter en van zijn eigen betrouwbaarheid als historische getuige. De stijl of ‘toon’ van de autobiografie wordt door de Duitse redacteur daarentegen gekenschetst als ‘schokkend’ en ‘schaamteloos zakelijk’ (schockierend en seiner oft schamlosen Sachlichkeit, D 18; 30), precies vanwege de kloof tussen inhoud en vorm.

Lees verder in de papieren Filter