De drie vertalerslevens van Koos Schuur    3-12

Jan Gielkens

Jacobus Geradus (Koos) Schuur (4 oktober 1915 – 1 december 1995) is niet alleen een vergeten vertaler, maar ook een vergeten dichter. Laten we met die vergeten dichter beginnen. De in Veendam geboren Schuur begon als journalist, en wel bij het in Wildervank verschijnende dagblad De Noord-Ooster. Na problemen met de Duitse bezetter vertrok hij in 1942 naar Amsterdam. Tijdens de bezetting publiceerde hij poëzie in clandestiene publicaties, waarvan er een, De7 vloeken. Poëtisch pamflet, in 1944 door Hendrik Werkman werd gedrukt en verlucht. Voor een andere clandestiene uitgave, Novemberlanden andere gedichten uit 1944, ontving hij in 1945, na de bevrijding, de Verzetsprijs voor letterkundigen, met acht anderen overigens. In 1946 verscheen de bundel Herfst, hoos en hagel, die, met aanvullingen, de oorlogspublicaties bundelde. Vanaf 1945 was Schuur werkzaam bij de uitgever van deze bundel, de voormalige verzetsuitgeverij De Bezige Bij, als adviseur, copywriter, redacteur, als hoofd van de afdeling publiciteit, van 1948 tot 1950 was hij ook plaatsvervanger van de Bezige Bijdirectie. Een van de activiteiten voor de uitgeverij was van 1945 tot 1949 het redactielidmaatschap, eerst met Ferdinand Langen, later ook met anderen (onder wie Jan Elburg en Bert Schierbeek), van Het woord. Maandblad voor de nieuwe Nederlandse letterkunde, waarin hij niet alleen een groot aantal jonge schrijvers met poëzie en proza aan het woord liet, maar ook zelf gedichten en programmatische teksten over poëzie publiceerde. In 1951 was Schuur een van de elf dichters die Simon Vinkenoog opnam in de Vijftigersbloemlezing Atonaal.

Lees verder in de papieren Filter