Van Ostaijens Occupied City    37-40

Karlien van den Beukel
Vertaling: Toon Theuwis

Die avond was Antwerpen alle soorten hel op aarde. De kapotte huizen en dode paarden baadden in een duivelse gloed. We kwamen voorbij een gebombardeerd station waar de locomotieven en seinen de lucht in getild waren en verwrongen + opeengehoopt tussen de rails lagen, alsof een kind ermee had gespeeld. Het laagland aan de Schelde was een zee van opflakkerende olie, het vuur reikte hoger dan een kathedraal, + boven dit alles hing een zwarte sluier. Daar marcheerden wij doorheen, Engelsen & Belgen & transport + vluchtelingen. De aanblik van de vluchtelingen was het verschrikkelijkst.

Rupert Brooke, Brief van 25 december 1914.1

De Engelse dichter Rupert Brooke was een van de eersten die zich in 1914 als vrijwilliger bij het leger meldden en er vervolgens met de Royal Naval Division opuit werden gestuurd om de strategisch belangrijke havenstad Antwerpen, die sinds eind augustus 1914 door de Duitser werd gebombardeerd, te helpen verdedigen. De divisie kwam op 3 oktober aan in Antwerpen, maar op 8 oktober moesten de Engelse en Belgische troepen zich noodgedwongen terugtrekken en werd Antwerpen een bezette stad. In zijn persoonlijke brief beschrijft Brooke hoe hij tijdens zijn vijftig kilometer lange voettocht vanuit Antwerpen getuige is van de gruwelijke afslachting van een stedelijke beschaving in oorlogstijd.

De dichter Paul van Ostaijen, een paar jaar jonger dan Brooke, heeft ‘alle soorten hel op aarde’ nog sterker gevoeld: Antwerpen was zijn geboortestad. Zijn opmerkelijke collagegedicht Bezette stad (1921) staat in het teken van het alledaagse leven tijdens de belegering van de stad – die op 25 augustus 1914 begon met bombardementen vanuit zeppelins – de terugtrekking en de daaropvolgende bezetting van Antwerpen tot aan de wapenstilstand in 1918.

Lees verder in de papieren Filter