Frans Denissen: knecht van twee meesters    39-45

Emilia Menkveld

In ruim dertig jaar heeft literair vertaler Frans Denissen (1947) een stevig oeuvre opgebouwd. Hij vertaalde twintigste-eeuwse grootmeesters als Umberto Eco en Leonardo Sciascia, maar ook Boccaccio’s klassieker Decamerone. Hij maakte het Nederlandstalige publiek bekend met de duizelingwekkende romans van Carlo Emilio Gadda en het werk van de Franse Vlaming André Baillon.

Die laatste inspireerde Denissen tot zijn lijfspreuk: vertalen voor de anderen zoals je zou willen dat de anderen zouden vertalen, als ze voor jou vertalen (2012). Het is een mooi en tegelijkertijd veelzeggend motto: bij Denissen staat de lezer uiteindelijk voorop. Van onvertaalbaarheid wil hij niets weten (2011: 261). De essentie overbrengen van wat de auteur heeft willen zeggen, daar gaat het hem om.

Met zijn aanpak heeft Denissen veel waardering geoogst bij kritiek en publiek. Zijn vertalingen zijn alom geprezen en leverden hem in 2012 de Martinus Nijhoff Vertaalprijs op – de kroon op een oeuvre dat overigens nog altijd aangroeit.

Hoe heeft deze nestor onder de literair vertalers zijn positie verworven? Welke opvattingen houdt hij erop na en wat drijft hem bij zijn vertaalkeuzes?

Lees verder in de papieren Filter