Uit de schrijffabriek    5-12

Gerrit Paape (1752-1803) als industrieel vertaler van Duitse literatuur

Peter Altena

In de twee laatste decennia van de achttiende eeuw ging in de Republiek de bewondering voor de Duitse cultuur samen met kwellende oordelen over de inferioriteit van de eigen cultuur.1 In die jaren werd het fundament gelegd voor het idee dat het best uitgedrukt is in de boutade dat men, als de wereld zou vergaan, het beste naar Nederland kon verhuizen, omdat daar alles vijftig jaar later gebeurde.2 Niet alleen Nederlanders gaven af op hun eigen cultuur, ook Duitsers spraken misprijzend over de Nederlandse cultuur. Die bij herhaling door derden vastgestelde minderwaardigheid en achterlijkheid van Nederland en de Nederlandse cultuur kon in de Republiek altijd op irritatie rekenen: slechts wie bevooroordeeld was en de Nederlandse literatuur en beschaving niet kende, kon tot een dergelijk negatief oordeel komen. Nederlanders mochten zichzelf kritisch beschouwen, maar kritiek vanuit het buitenland werd niet op prijs gesteld.

De bewondering voor het Duitse denken en schrijven bleek intussen duidelijk uit de enorme vloed van vertalingen van Duitse boeken in het Nederlands. In de jaren die volgden werd zo veel vertaald dat van een mode gesproken werd. Een mode die op kritische commentaren mocht rekenen. In 1782, in de voorrede bij hun Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart, schreven Betje Wolff en Aagje Deken dat het vertalen een grote vlucht had genomen en dat het voor vaderlandslievenden ongemakkelijk was te moeten constateren ‘dat verre het grootste getal goede Boeken vertalingen zyn’ (1980: dl. 1, 106). Niets mis met het vertalen, maar Nederlanders moesten niet geloven ‘dat geen Vaderlandsche pen Werken van smaak schryven kan’. Op het titelblad van hun roman lieten de schrijfsters aantekenen dat hun werk geen vertaling was. De ontkenningen, stellig bedoeld als litotes, vestigden de aandacht juist op het tegenovergestelde.

Gerrit Paape _kl

Lees verder in de papieren Filter