Het vertalen van straattaal (II)    21-36

Stella Linn

In deel I van dit tweeluik, verschenen in Filter 21:3, is ingegaan op een aantal eigenschappen en functies van straattaal in het algemeen en Franse straattaal in het bijzonder. Ook is aangegeven hoe dit taalgebruik, met al zijn spreektaalkenmerken, in actuele Franse ‘straatliteratuur’ verwerkt is. Daarbij is gebleken dat deze in allerlei opzichten tegendraadse taalvariëteit vooral bijdraagt tot het uitdrukken van de rebelse identiteit1 van de sprekers. Ging het in het eerste deel van het tweeluik om originele teksten, in dit tweede deel verschuift het zwaartepunt naar vertalingen. Welke opties staan er ter beschikking om vertaalproblemen in (Franse) straatliteratuur op te lossen, en hoe gaan vertalers hier in de praktijk mee om? Daartoe zal onder meer worden nagegaan in hoeverre kennis van de Nederlandse straattaal en -literatuur behulpzaam is bij het vertalen.

Om een adequate keuze voor een bepaalde strategie te kunnen maken is het zinvol om eerst te bekijken welke criteria hierbij een rol kunnen of moeten spelen.

Overwegingen bij een vertaalstrategie
Een prominent kenmerk van straattaal is meertaligheid, die zich vaak manifesteert in de vorm van codeswitching binnen één taaluiting. Zoals De Wilde (2009) constateert wordt deze in vertalingen van meertalige literatuur veelal ingeperkt of afgezwakt. Dat geldt ook voor min of meer taalspecifieke ingrediënten van dit sociolect, zoals in het geval van Frans het omkeerprocedé verlan. Het lijkt erop dat vertalers het niet gauw goed kunnen doen: moffelen zij dit soort identiteitsgerelateerde aspecten weg, dan dreigt het risico van homogenisering en vervlakking (Wuilmart 2007); anderzijds kunnen zij door al te specifieke vertaalkeuzes de kritiek van ideologische manipulatie (Lane-Mercier 1997: 55) of zelfs etnocentrisch geweld (Venuti 1995: 21) over zich afroepen. Zo zou weergave van het Argentijnse lunfardo, dat veel straattaalelementen bevat, door een taalvariëteit als Parijs’ argot volgens Berman (1985: 78) een verkeerde strategie zijn, die een belachelijk effect kan opleveren. Hoe kan straattaal dan wel zo worden omgezet dat een soortgelijk ‘univers sociolinguistique’ (Lane-Mercier 1997: 52) wordt opgeroepen als in de brontekst? Dit vereist allereerst reflectie op de vraag welk criterium bij het vertalen prioriteit zou moeten krijgen.

Hiervoor grijp ik terug naar de Tsjechische vertaalwetenschapper Jiři Levý, wiens standaardwerk Umění překladu uit 1963 pas enkele jaren geleden, in 2011, vertaald is in het Engels. Levý stelt (2011: 61) dat een literair werk dat pretendeert de realiteit weer te geven, in overeenstemming moet zijn met de ‘norm of veracity’. Om op het publiek een authentieke indruk te kunnen maken schept de auteur een illusie die gebaseerd is op een contract met de lezers, aldus Levý (2011: 19–20): al weten die ergens wel dat ze fictie lezen, ze willen toch dat de roman voldoet aan de regels van de waarschijnlijkheid.2 Bij uitbreiding geldt voor vertalingen dan dat lezers graag aannemen dat de essentiële eigenschappen van het origineel in de doeltekst zijn overgekomen, zodat ze de illusie kunnen koesteren dat ze de tekst zonder tussenkomst van een bemiddelaar lezen (ibid.); hier is dan ook bij uitstek een ‘onzichtbare’ vertaler gewenst (Venuti 1995).

Passen we het geloofwaardigheidsprincipe toe op straatliteratuur in vertaling, dan gaat het er in de eerste plaats om dat de doeltaallezers aannemen dat zij ‘authentieke’ straattaal onder ogen krijgen en niet afgeleid worden door termen of constructies die deze illusie doorbreken. Een inadequate vertaalkeuze is vanuit illusionistisch perspectief dan ook niet zozeer een taaluiting die een andere semantische lading heeft dan de bronterm, als wel een woord of uitdrukking die de leeservaring verstoort doordat deze in de optiek van de lezer niet strookt met het verwachte taalgebruik van een doeltaalspreker in een vergelijkbare socioculturele context. Dan kan de coherente identiteit van verteller en/of personages worden aangetast. Dit impliceert dat de straattaalspreker niet uit zijn of haar rol mag vallen door gebruik van een niet passend register of absurde verwijzing. Het luistert nauw: een detail kan de illusie van de lezer al verstoren, waarschuwt Levý (2011: 68–69). Hij laat zich echter niet uit over de vraag wie die lezer is; welke vertaalstrategie is gepast voor een heterogene doelgroep (Andringa 2006: 231), bijvoorbeeld qua leeftijd, etnische achtergrond en sociaal milieu? Omdat er van moderne romans doorgaans maar één vertaling gemaakt wordt, zal nooit iedereen in dezelfde mate bereikt kunnen worden, maar dit geldt evengoed voor de brontekst. In deel I van dit tweeluik werd al aangegeven dat de doeltaallezers niet louter jonge straattaalsprekers uit de Randstad zullen zijn die de terminologische actualiteiten op de voet volgen. Alleen al daarom doen vertalers er waarschijnlijk goed aan om niet de meest trendy neologismen te gebruiken, maar zich juist te baseren op al wat ingeburgerde straattaal. In aansluiting op de eerdergenoemde ‘temporele paradox’ (Linn 2014: 69) ontstaat hiermee in feite wel een nieuwe paradox.

Lees verder in de papieren Filter