Het vertalen van straattaal (I)    63-70

Stella Linn

‘Yo peepz, dit is dus de family tree van Jezus, je weet toch.’ Zo begint het Evangelie van Mattheüs (De torrie van Mattie) in straattaal. Dit sociolect is de laatste jaren ontstaan in grote steden van westerse landen met meerdere generaties allochtonen. Onderzoek naar deze nieuwe meertalige vorm van straattaal is tot nu toe voornamelijk gedaan in de taalkunde, vooral de sociolinguïstiek, waar men zich bezighoudt met vragen als: hoe is deze taalvariëteit opgebouwd, welke typen sprekers kunnen er worden onderscheiden en wat is de relatie met groepsidentiteit? Hierbij wordt echter voornamelijk gekeken naar reële situaties. Een heel recent verschijnsel is dat deze straattaal ook doorsijpelt in de literatuur. Het gaat daarbij zowel om romans van jonge allochtone auteurs die bekend zijn met de straatcultuur als om werk van autochtone schrijvers waarin straatjongeren een rol spelen. In de literatuurwetenschap is hier nog maar nauwelijks aandacht aan besteed. Nu er de laatste tijd enkele romans in vertaling verschenen zijn en deze productie naar verwachting zal toenemen, wordt bestudering van dit genre ook relevant voor de vertaalwetenschap. Welke vertaalproblemen doen zich hierbij voor en welke strategieën kunnen vertalers aanwenden om deze op te lossen? Deze vragen zullen centraal staan in dit artikel, dat in twee delen verschijnt.

In dit eerste deel van het tweeluik ligt het zwaartepunt op de Franse straattaal en de manier waarop deze in de literatuur verwerkt is. In deel ii zal worden gekeken naar mogelijke strategieën om dit taalgebruik te vertalen en de wijze waarop hiermee in enkele bestaande vertalingen is omgegaan. Daarbij komt ook de Nederlandse straattaal en -literatuur aan bod. In verband met de ruimte wordt de bibliografie alleen bij het tweede deel vermeld.

Om te beginnen zal ik ingaan op een aantal algemene, niet-taalgebonden kenmerken van straattaal.

Lees verder in de papieren Filter