Van een auto die een fiets werd    43-49

Jan Pieter van der Sterre

In den beginne was er een tepel. En toen onze halfdichte ogen een paar uur later de andere tepel zagen, ging er een stroompje door onze hersenen: dat heb ik eerder gezien! De tweede tepel leek sterk op de eerste, en werd daardoor ‘een’ tepel. Een van onze zenuwcellen had hem herkend, een overeenkomst geconstateerd en aan de hand daarvan een ‘begrip’ gevormd. Vooralsnog een anoniem begrip, maar er zal langzamerhand een naam zijn uitgekristalliseerd in de buurt van ‘melk’, of ‘drinken’. Of ‘mama’, of ‘goed’.

Zo nestelde ons eerste begrip zich in onze hersenen. We koppelden iets nieuws aan iets bekends en formeerden aan de hand daarvan een algemeenheid. Dat heet in de psychologie ‘een analogie maken’, en het resultaat heet ‘een categorie, een begrip’. Daarmee staan analogieën aan de basis van onze psychische en indirect ook onze fysieke activiteiten. Er is haast geen handeling te bedenken die niet teruggrijpt op eerdere handelingen. Als we fietsen, spiegelen we elk bochtje automatisch aan de miljarden bochtjes die we eerder maakten. De tekens die u hier voor u op het papier ziet, kunt u lezen omdat u ze veel vaker hebt gezien. Deze zinnen begrijpt u omdat u veel vergelijkbare zinnen hebt gelezen. De hele dag maken we analogieën of gebruiken we bestaande analogieën.

Dat doen we ook als we bijvoorbeeld zonder nadenken een dingetje ‘piepklein’ noemen en niet ‘minuscuul’, ‘miniem’, ‘gering’, ‘microscopisch’ of ‘petieterig’. Of als we onbewust verschil maken tussen ‘grijpen’, ‘graaien’, ‘grabbelen’ en ‘grissen’, of terloops een deel van een stad beschrijven als een ‘wijk’ en niet als een ‘gebied’, ‘zone’, ‘regio’, ‘buurt’ of ‘stadsdeel’. De kunst van het benoemen, van het bliksemsnel slaan van een brug tussen een begrip en iets in de werkelijkheid, vormt de kern van ons denken. En wij vertalers zijn analogische bruggenbouwers bij uitstek.

Lees verder in de papieren Filter