Vertalen is verzinnen wat er staat    59-63

Harrie Lemmens

In Louis Couperus’ Van oude mensen de dingen die voorbijgaan (1906), de roman waarin het Nederlandse koloniale verleden als een horrording door de nachtmerries van drie hoogbejaarde ex-Indiëgangers spookt, zegt de dragende figuur Lot, romanschrijver, tegen zijn geliefde Elly dat hij geen boeken meer wil schrijven, omdat die log en zwaar zijn als een tor, maar alleen nog maar korte artikelen, essays, licht en vluchtig als een vlinder. Sprankelen moet het. Fladderend schrijven wil hij, heel even de aandacht van de lezer trekken en hem daarna weer loslaten. Meer zit er niet in, verzucht hij berustend, meer streeft hij ook niet na.

Licht als een vlinder lijken de boeken van de Angolese schrijver José Eduardo Agualusa (1960). De woorden dartelen en dansen over de pagina’s. Maar zoals zo vaak bedriegt de schijn. Want anders dan bij de twijfelende Haagse dandy is wat hij schrijft allerminst vluchtig, wil hij wél de aandacht van de lezer vasthouden, wil hij veel meer dan hem heel even vermaken. Zijn thema’s zijn even tijdloos als actueel − daarover zo meteen meer − en hij is allesbehalve berustend of pessimistisch. ‘Pessimisme,’ zo zei hij in een gesprek dat ik meer dan tien jaar geleden met hem had in het Duitse Bad Homburg, ‘is een privilege van gelukkige volkeren. Alleen volkeren waarmee het goed gaat kunnen zich de luxe veroorloven om pessimistisch te zijn. In Angola heb je geen pessimisten. In Angola is iedereen optimistisch. Een van de vreemdste gewaarwordingen van buitenlanders die Angola bezoeken is een volkomen vernield land te zien en mensen die dansen tussen de puinhopen. De mensen vieren feest, bedrijven de liefde, krijgen kinderen. Ze gaan door met leven en die levenskracht steunt hen. Dat is ook de reden waarom ik in het land geloof, in de toekomst geloof. Als de oorlog eenmaal afgelopen is [en dat gebeurde daadwerkelijk kort daarna, met de dood van Jonas Savimbi; hl], is er ondanks alle vernielingen, ondanks alle waanzin, ondanks zo veel zieke mensen, die intensiteit, die levenskracht die de Angolezen helpt.’

Overigens, wat moet een Angolese schrijver in godsnaam in Bad Homburg? Agualusa verbleef toen een halfjaar in het schrijvershuis van Berlijn, en moest een lezing houden aan de universiteit van Frankfurt. Zijn literair agente woonde in Bad Homburg en zo kom je dan terecht in de stad waar Dostojevski ooit voor de zoveelste keer zijn laatste centen verspeelde in het casino. De grootmeester van de taal en het vleesgeworden rien ne va plus logeerde destijds bij een Russische prinses. In dat huis, nu een hotel, logeerden ook wij. Ik zocht hem op omdat ik hem wilde interviewen voor het nawoord bij de vertaling van Nação Crioula (1997) die ik net had afgerond (Een steen onder water, 2003).

Lees verder in de papieren Filter