Verdwenen homoseksuelen    19-25

Emilia Di Martino

In deze bijdrage benader ik de ethiek van het vertalen aan de hand van een persoonlijke ervaring. Ik wil beschrijven hoe mijn opvattingen over de Italiaanse vertaling van gevoelige elementen in Alan Bennetts roman The Uncommon Reader geëvolueerd zijn door een beter begrip van de wijze waarop de vertaalster, Monica Pavani, haar keuzes heeft verantwoord. Monica en ik zijn pas in discussie gegaan nadat we elk afzonderlijk – zij als vertaalster, ik als vertaalcritica – ons werk gedaan hadden. Die discussie is nog altijd gaande en duurt nu al twee jaar. Ondanks het feit dat ik nog altijd denk dat Pavani het beeld van de hoofdfiguur van de roman heeft gewijzigd en ook subtiel het meest subversieve aspect van Bennetts roman normaliseert (waarschijnlijk in een poging om een tekst die krioelt van de homoseksuele verwijzingen beter verteerbaar te maken voor de Italiaanse lezer), vind ik haar vertaling nu zeer goed. Pavani heeft de weg die zij in haar vertaling heeft gekozen, overvloedig en overtuigend gedocumenteerd. Die verantwoording en een grondige analyse van de ‘echte’ vertaalcontexten (Di Martino 2010, Künzli 2007, Mossop 2001) lijken te suggereren dat vertaalethiek een complex gegeven is waarbij verschillende ‘gevallen’ niet op dezelfde manier behandeld kunnen worden.

In zijn bekende ‘map’ van de vertaalwetenschap heeft James S Holmes – intussen meer dan veertig jaar geleden – voorgesteld om de discipline op te delen in verschillende takken: de ‘zuivere’ en de ‘toegepaste’ vertaalwetenschap. De ‘zuivere’ vertaalwetenschap deelt hij vervolgens op in een ‘beschrijvende vertaalwetenschap’ (descriptive translation studies) en een ‘theoretische vertaalwetenschap’ (theoretical translation studies). De beschrijvende vertaalwetenschap onderscheidt zich van het normatieve of prescriptieve vertaalonderzoek dat evaluatief te werk gaat en voorschrijft wat een vertaling tot een goede of correcte vertaling maakt. De theoretische vertaalwetenschap zou volgens Holmes de resultaten van de descriptieve vertaalwetenschap moeten gebruiken om ‘een zo veelomvattende theorie [op te stellen] dat ze alle verschijnselen op het gebied van vertalen en vertaling (en alleen die) kan verklaren en voorspellen’ (2010: 313). Ik bouw voort op dat onderscheid en breidt het uit naar het domein van de ethiek. Ik neem aan dat het heel moeilijk is (misschien zelfs onmogelijk) om vaste normen, regels en wetten op te stellen in een wereld die voortdurend in verandering is en juist daarom zo veel vertalers nodig heeft (Bauman 1987). Tegelijkertijd staat het vast dat zulke normen, regels en wetten noodzakelijk zijn. Voor vertalers zijn ze cruciaal als uitgangspunt voor hun beslissingen, hoewel ze die normen, regels en wetten voortdurend opnieuw uitvinden, zelfs wanneer ze die alleen maar lijken te bevestigen (Derrida 1997). Uiteraard is persoonlijke verantwoordelijkheid cruciaal, maar in een (tekstuele) realiteit waarin alle betekenisproductie contextueel is (Derrida 1997), kunnen normen, regels en wetten alleen worden afgeleid uit de observatie van individuele gevallen en van singuliere beslissingen. Ze zijn essentieel gefundeerd in het hier en nu. Daarom denk ik dat de enige mogelijke vertaalethiek een descriptieve ethiek is, waarbij ‘descriptief’ in contrast staat met ‘prescriptief’ of ‘normatief’. De descriptieve vertaalethiek bestaat in het onderzoek van de ethische keuzes van een vertaler, de prescriptieve vertaalethiek is het onderzoek van ‘theorieën’ die voorschrijven waaraan vertalers zich te houden hebben. De prescriptieve vertaalethiek stelt de vraag: welke keuzes hoort een vertaler te maken? De descriptieve vertaalethiek zoekt een antwoord op de vraag: wat was volgens een vertaler de juiste keuze bij de behandeling van een specifiek brontekstelement?

Lees verder in de papieren Filter