Galerij: 1 Julio Cortázar    13-16

Barber van de Pol

Voor onze deur in de Jan Bernardusstraat staat een opvallend rijzige man. Dat gebeurt wel vaker, om te beginnen is mijn vader net zo rijzig, en net zo knap, maar deze is geparfumeerd. Hij draagt een bruin tweedjasje en heeft een das losjes over zijn schouder geslagen. Laat ik bloemen in zijn handen stoppen, hij was hoffelijk.

Het is september 1972, een namiddag. A. en ik zijn net terug uit Oudeschip (’t Olschip), het noordelijkste dorp van Nederland, nog ten noordoosten van Roodeschool. De zwerfpoes die met haar instemming is meegelokt, snuffelt de vertrekken af voor ze in de achtertuinen slag zal leveren met het gesettelde kattengebroed.

 

Julio Cortazar1

 

In de boerderij keek A. Olympische Spelen, die dramatische van München, en ik zat vrijwel alleen maar Rayuela te vertalen, een enorm boek, qua omvang en ambitie, een groots voorbeeld van de totaalroman waar Latijns-Amerika een poosje patent op had. Het is mijn eerste substantiële vertaling. Het begon met Circe, ook van Cortázar, een bundel verhalen die ik afmaakte toen professor Van Praag, de aanvankelijke vertaler, stierf. Theo Sontrop, redacteur bij Meulenhoff, had op een kerstdag laten weten dat mijn proefvertaling goed was, en zo is het gekomen. Vlak erna volgde Cortázars novelle over Charley Parker, De achtervolger (‘El perseguidor’), waar de uitgever van dienst in zijn commerciële wijsheid Achtervolgd van maakte, en iets van Régis Debray over Che Quevara, samen met Benjo Maso, ik heb het niet meer. Misschien kwam Debray wel vóór die jazznovelle, waarin de ‘Bird’ gedreven het onbestendige najaagt.

Lees verder in de papieren Filter