Waarom wij een derde Nederlandse vertaling van Ulysses nodig hadden    35-40

Erik Bindervoet
Robbert-Jan Henkes

Motto: ‘Het is altijd een hachelijke taak het werk van een voorganger te beoordelen’ – Paul Claes en Mon Nys, in het nawoord bij hun Ulysses-vertaling. Wat – even terzijde – een enigszins bevreemdende opmerking is. Het is niet netjes, niet fatsoenlijk, niet collegiaal, okee. Maar een hachelijke taak? Een taak bedeel je jezelf toe, of niet, of een ander doet het voor je, in elk geval: het hóéft niet hoor, niemand vraagt erom. En hachelijk? Dat is balanceren op het slappe koord boven de Grand Canyon, tussen de brandende Twin Towers, of een sprong van 36 kilometer hoogte, zonder parachute. Dat is hachelijk. Net als het vertalen van Ulysses, niet het kritiek leveren op het werk van een voorganger. Of waren ze bang om straks met dezelfde maat gemeten te worden als waarmee zij Vandenbergh meten, om na het kaatsen de bal te moeten verwachten van hun opvolgers? Dan is het eerder laf, niet hachelijk. Kritiek leveren is alleen maar gezond. Iets is een hachelijke zaak, niet een hachelijke taak. Ter zake.

Toen Kurt Tucholsky de vertaling van Ulysses onder ogen kreeg, de Duitse vertaling, de eerste Duitse vertaling, de eerste vertaling überhaupt en tout court aller tijden van Ulysses, van de hand van Georg Goyert, in 1927, toen vroeg Tucholsky zich af wat er nou zo bijzonder aan dit boek was, en hij verzuchtte: ‘Of er is een moord gepleegd, of er is een lijk gefotografeerd.’ Datzelfde gevoel is heel herkenbaar voor Nederlanders die de Nederlandse vertaling van Ulysses van de hand van John Vandenbergh (1969) of die van Paul Claes en Mon Nys (1994) onder ogen kregen en het daar vaak bij lieten. ‘Niet om door te komen’ was nog een van de mildste kritieken. Ook de bumperstickers ‘Ik heb Ulysses helemaal gelezen’ konden dit niet verhullen.

Lees verder in de papieren Filter