Vijf brieven uit Vertalië, verzonden aan Gerard Reve, aan gene zijde van zijn afwezigheid    32-36

Bertrand Abraham
Vertaling: Reintje Ghoos, Jan Pieter Sterre

Woensdag
Weet je, wat ik hier tot nu toe heb staan oreren komt uiteindelijk allemaal uit jouw proza, jouw brouwsels, jouw woordenbouwsels. Want het is geen kattenpis, je beeldende taal, je taalbeelden en je verbeelding tout court. Toen ik je boek [Op Weg Naar Het Einde] had gelezen was ik er kapot van. Een schok. Maar toen ik de opdracht kreeg het te vertalen kwam er een andere schok. Ten eerste wist ik niet waar ik aan toe was: was dit proza afwijkend in het kwadraat, tot de derde macht…? Was dit Nederlands of reve-taal, ‘reviaans idioom’, zoals je fans zeggen? En dan vooral in dit boek, waar je virtuositeit zijn toppunt bereikt. ‘Hij geeft de woorden van de stam een zuiverder betekenis,’ zei de ander [Stéphane Mallarmé; vert.]. Soms geef je ze juist een mínder zuivere betekenis, terwijl je intussen wel ongelooflijk precieze zinnen bakt. 

Gerard Reve1

Maar er is meer; het is een taal binnen de taal, die de taal bijna alle mogelijke vormen geeft en hem bijna zou willen omvatten, opslokken, terwijl hij er deel van uitmaakt: alles is op alles geënt. Zelf formuleerde je het zo: ‘Alles is Een.’ Daarmee wordt deze reis in de taal die tegelijkertijd jouw eigen taal wordt, een flitsende reis: je gaat buurten bij flink wat historische fases van het goeie ouwe Nederlands aan, zeer uiteenlopende sociale taaltjes, jargons, diverse sociolecten, woorden van de ander, een syntaxis en een vocabulaire die hele lagen van het Nederlands door elkaar husselen, soms binnen het kader van één zin. In alle registers welteverstaan.

Lees verder in de papieren Filter