Elk belangrijk literair werk heeft er recht op om de 25 jaar jaar opnieuw te worden vertaald!    45-47

Reactie op 'De kelders van het vertaalvaticaan' van Hans Vandevoorde

Ingrip Jap-Tjong

‘De mogelijkheid van het vertalen impliceert in geen geval totale vertaalbaarheid’
André Lefevere (Gent, 1945 - Austin, 1996)

 

Geachte meneer Vandevoorde,

Graag wil ik reageren op uw stuk in Filter van maart 2007. Verschillende lezers zijn zeer geschrokken van uw boute beweringen, temeer daar er voor vertalen, dichten of het ontwerpen van een gebouw geen duidelijke artistieke criteria bestaan. Dit laatste werd onlangs nog eens expliciet gezegd bij de uitreiking van de Architectuurprijs voor ‘Het beste gebouw van 2006 in Nederland’. Zo’n toekenning is subjectief.

Heeft u trouwens iets tegen literaire vrouwen? Want ook mevrouw Arijs kreeg er van u en passant van langs. En in de derde alinea wordt zelfs Gide afgeserveerd.

Verder wil ik opmerken vanuit de kosmopolitische stad Amsterdam, waar ook mevrouw de Veth al meer dan 25 jaar woont, dat er bij taalgebruik verschillen bestaan tussen Zuid- en Noord-Nederlands, tussen u en ons; dat er een tijdsafstand bestaat, en de heer Pieter Beek Si le grain ne meurt in 1970 vertaalde in het Nederlands van toen, een verschil van 36 jaar; dat er zich wellicht het psychologisch fenomeen voordoet dat u gewend bent aan Beeks ingebonden vertaling, deze heeft geïnternaliseerd en u voor een nieuwe tekst – vooral in paperback – een innerlijk weerstand voelt.

Enkele punten en détail, maar het moet natuurlijk geen vertaalcollege worden!

1. Dat de titelvertaling van Mirjam de Veth (MdV) u niet bevalt, is een kwestie van smaak.

2. ‘Er niets van kan’ is adequaat vertaald, terwijl ‘onhandig’ in de sfeer van ‘onpraktisch’ ligt. Vergelijkt u maar eens hoe vreemd dit klinkt: ‘Hij is te onhandig om te tennissen.’

Maar ‘hij kan er niets van’ is minder zwaar dan u denkt. Wèl kun je weer spreken van ‘handigheid’ om te mikken.

3. De Franse superlatief in le plus vorace… le plus méfiant moet hier niet letterlijk worden opgevat. ‘Bijzonder’ lijkt me hier een goede keus, en geeft de tegenstelling voldoende aan.

4. Pêcher/ vissen, hengelsport; … het is een normale mogelijkheid van het vertalen, en soms is het onvermijdelijk, om het bijzondere te veralgemenen of omgekeerd; van een enkelvoud een meervoud te maken of omgekeerd; een werkwoord om te zetten in een zelfstandig naamwoord of een bijvoeglijk naamwoord of omgekeerd; een passief werkwoord weer te geven met een actief. De brontaaltitel van een boek wordt in de doeltaal nog al eens gewijzigd: Tous les matins du monde van Pascal Quignard werd Geen ochtend ter wereld.

5. U struikelt over ‘het draad’, maar in mijn driedelige Van Dale, 1992, staat gewoon achter ‘draad (1)’ op p.704: ‘o.& m.’. Het woord kan onzijdig zijn wanneer het gaat om draad als materiaal, wat hier het geval is.

6. Voor Gides ‘résistance’ geeft PB: ’weerstandsvermogen’ en MdV: ’trekkracht’.

Gide wil niet met een normale hengel vissen die voor de forel in de verte al te zichtbaar is en deze zo gevoelige vis zal afschrikken. ‘Weerstandsvermogen’ betekent passief dat het draad niet zal breken, maar daar ga je sowieso vanuit als je je van een hulpmiddel of instrument bedient; het is de minimale voorwaarde dat het bij gebruik niet kapot gaat. Gide ziet in het draad een extra kwaliteit en Le Petit Robert, 1991, die bij Résistance op p. 1685 naar p. 805 verwijst: V Force = puissance d’action physique (d’un être ou d’un organe) de mogelijkheid om aan résistance de actieve betekenis te geven die we nodig hebben. MdVs ‘trekkracht’ is een vondst.

7. ‘Ma mère se désolait. MdV: ‘Mijn moeder vond het maar niets’ is juist vertaald, even lang als de Franse zin, met hetzelfde ritme, en dit Nederlands past in de sfeer van de gehele hedendaagse vertaling van de 21ste eeuw. Moeders staan niet meer rustig toe te kijken met een schort voor en met wanhopig in elkaar geslagen handen zoals bij PBs: ‘… toonde zich nog al eens bezorgd’.

8. Het vertaalde Nederlands ‘mag niet gekleurd zijn’ door de brontaal. De huidige opvatting is dat de vertaler moet loskomen van de typische bepaaldheid van de brontaal i.c. het Frans; dat hij zich losmaakt van de grammaticale, lexicale kenmerken. Wel kan deze vertaler, als hij dat nodig vindt, er iets van de couleur locale inbrengen.

9. Een vertaler zet alvorens aan zijn pover betaalde arbeid te beginnen zijn soepel te hanteren strategie uit, bijvoorbeeld ten aanzien van inversies die in het huidige Nederlands voor lange zinnen ongewenst zijn. Dit heeft Mirjam de Veth gedaan én zich eraan gehouden. Dus wat verwijt u haar?

Deze nieuwe vertaling van 2006 was nodig, vind ik, daar Gide naast Proust tot de belangrijkste moderne, ja!, Franse auteurs behoort, een persoonlijkheid waar je niet omheen kunt: je hoeft maar een Franse literaire geschiedenis of een Robert op te slaan of Gide wordt genoemd of geciteerd. De huidige vertaler in dit globale tijdperk maakt gebruik en moet gebruikmaken van de achtergrond van de te vertalen auteur: correspondeert met deze, als hij nog leeft, en als hij overleden is bezoekt de vertaler diens huis/ huizen of voor hem belangrijke plekken (voor Gide de Jardin du Luxembourg of Hotel Lutetia), duikt in de archieven (voor Gide de Bibliothèque Jacques Doucet of het IISG), spreekt met nabestaanden. Bovendien staat het genre (auto)biografie zeer in de belangstelling en Parijs kon zich tot voor kort erop beroemen dat aan de faculteit Franse literatuur van de Université Paris-Nord een specialist in egodocumenten verbonden was: Philippe Lejeune.

De hele kwestie gaat over het Nederlands van nu; de taal van Grunberg, Van der Heijden, Zwagerman, Margriet de Moor, Charlotte Mutsaers is anders dan de taal die in uw hoofd zit. Wat in Mirjam de Veths vertaling anders is dan u, door Pieter Beek gesouffleerd, verwacht, zijn geen fouten van haar, maar er is een verschil van smaak. Haar manier van uitdrukken is pregnanter, sneller, van deze tijd. Trouwens het filologisch inzicht en de kennis van deze Gide-specialiste zijn groot, en ook op historisch gebied staat ze haar mannetje: zie de drie verschillende inleidingen, notenapparaat, personenregister, bibliografie en fotodocumentatie in De Parelduiker, Het innerlijk blauw, Niet als de anderen. Dit zijn welkome toevoegingen die je vaak node ontbeert in (auto)biografische werken en die ook bij Beek ontbreken.  

Een groet uit het Hoge Noorden der Nederlanden van een Amsterdamse die voor het eerst in haar leven teleurgesteld is in een Belg en toch bij haar voornemen blijft naar de twee literaire avonden in De Balie te gaan, in mei door SLAA georganiseerd: ‘De Belgen zijn beter’.

Ingrid Jap-Tjong, 30 april 2007

 

*Raymond van den Broeck & André Lefevere. Uitnodiging tot de vertaalwetenschap, Coutinho, 1984, p. 58.