Ongelikte poëzie: de Priapea    50-55

Harm-Jan van Dam

Abstract: Voorpublicatie van enkele epigrammen uit de eerste integrale Nederlandse vertaling van de Priapea. De vertaler licht zijn werkwijze toe. ‘Braaf is mijn vertaling in die zin dat ik mentula steeds met ‘lul’ heb weergegeven en de verleiding heb weerstaan om jolige equivalenten in te zetten, hoe bruikbaar de snikkel voor een god met een sikkel ook geweest zou zijn. Met dit voorbeeld bedoel ik te zeggen dat mijn vertaling poogt getrouw te zijn, zich meer op de brontekst dan op de doeltekst richt (...)’.

 

Nieuwe of reeds gepubliceerde maar vergeten vertalingen worden in deze rubriek gepresenteerd. Zo mogelijk en desgewenst geeft de vertaler een korte toelichting op de teksten en de specifieke problemen waarvoor hij zich tijdens het vertalen gesteld zag.

‘Schandelijk, brutaal en obsceen’ noemt de grote zestiende-eeuwse geleerde J.J. Scaliger de Priapea in de inleiding op zijn editie. Eeuwenlang dacht men er niet veel anders over. In 1955 schreef de classicus Van IJzeren nog over de Romeinse dichter Martialis dat ‘een belangrijk gedeelte van zijn poëzie voor ons evenzeer ongenietbaar als onvertaalbaar is, vanwege de ontstellende onzedelijkheid van den inhoud.’ Tegenwoordig zijn wij niet zo snel meer ontsteld; daarom kan, na Latijnse schrijvers als Petronius en Martialis, nu ook een eerste integrale Nederlandse vertaling van de Priapea verschijnen (binnenkort in de Baskerville Serie van Athenaeum-Polak & Van Gennep).

Met de ‘Priapea’ duidt men meestal een bundel van tachtig, inderdaad obscene, elegante epigrammen aan, die waarschijnlijk omstreeks het jaar 100 na Christus door een onbekende dichter zijn geschreven. In technisch opzicht voldoen ze aan alle eisen die de Latijnse poëtica aan light versestelt; ze lijken nog het meest op de door Van IJzeren zo gesmade epigrammen van Martialis. Wat ze verenigt, ja zelfs enigszins monomaan maakt, is hun onderwerp, de god Priapus ‒ met de klemtoon op de a. In Latijnse poëzie is deze godheid een boertige houten vogelverschrikker, gewapend met een sikkel én een reusachtig stijfstaand lid. Dat laatste staat centraal in deze spottende versjes, die de literaire vertaling zijn van graffiti zoals in Pompeji aangetroffen, misschien te vergelijken met goede cabaretteksten. Gedicht nummer 52 heb ik uitgekozen om een indruk van het genre te geven, zowel van Priapus’ bedreigingen als van de grofheden.

Met een variant op Martialis zou ik kunnen zeggen dat de gedichtjes wel obsceen zijn, maar de vertaling braaf. Daarmee bedoel ik niet het woordgebruik: woordenboeken geven nog steeds als vertaling voor mentula en cunnus ‘mannelijk lid’ en ‘vrouwelijke schaamte’. Dat is domweg onjuist, want die woorden komen vrijwel alleen voor in de obscene gedichten van Catullus, Martialis en de dichter van de Priapea, en verder in inscripties bij Pompejaanse bordelen. Latijnse medische, laat staan andere, auteurs gebruiken ze nooit. Ze betekenen niets anders dan ‘lul’ en ‘kut’. Bij de meeste vertalers heeft een cultuuromslag zich ergens in de jaren zeventig voorgedaan: in 1975 vertaalt Van Dooren bij Martialis nog met ‘penis’, wat hij in 1981 terecht ‘pik’ noemt.

Braaf is mijn vertaling in die zin dat ik mentula steeds met ‘lul’ heb weergegeven en de verleiding heb weerstaan om jolige equivalenten in te zetten, hoe bruikbaar de snikkel voor een god met een sikkel ook geweest zou zijn. Met dit voorbeeld bedoel ik te zeggen dat mijn vertaling poogt getrouw te zijn, zich meer op de brontekst dan op de doeltekst richt, meer streeft naar adequaatheid dan aanvaardbaarheid, of hoe je het ook wilt uitdrukken. Als twee verzen beginnen met twee vormen vanfurari (64), streef ik er ook naar om tweemaal ‘stelen’ in het begin van een regel te zetten.

Ik geef direct de spanning tussen ideaal en praktijk aan: allereerst ziet de kritische lezer dat in nr. 23 mentula wel degelijk ‘pik’ en geen ‘lul’ is geworden. Dat betekent dat met mate en binnen grenzen ik mijn eigen regels mag overtreden. Mythologische en andere eigennamen heb ik soms toelichtend vertaald, of door een bekender c.q. ritmisch eenvoudiger equivalent vervangen: zo is in nr. 1 ‘de godin die uit haar vaders hoofd is geboren’ ook Pallas geworden en Phoebus heet nu Apollo. Elders heb ik bij voorbeeld ‘Phaedra’s stiefzoon’ vervangen door Hippolytus.

Een tweede probleem bij meer ‘adequate’ vertalingen bestaat uit woordspelingen. Ik heb nr. 55 als voorbeeld genomen, waar Priapus vreest dat de diefstal van zijn sikkel zijn ophanden zijnde ontmanning voorspelt. In dat geval zal hij geen burger meer zijn van Lampsacus (de stad waar zijn verering inheems was), maar een Gallus, in het Latijn zowel een Galliër als een gecastreerde priester van Cybele. Een strikte oplossing kan zijn om ‘gallus’ te vertalen en een verklarende noot toe te voegen, maar dat ging mij toch te ver. Achter mijn huidige vertaling, geslaagd of niet, zit een ‘open plek’; in een eerder stadium had ik vertaald: ‘Verlies ik dat, dan kan ik beter emigreren/ en bij de Wiener Sängerknaben auditeren’. Het kostte enige tijd om deze vondst weg te gooien, maar het moest toch: vanwege het anachronisme. Ik wilde geen situaties en personen transponeren.

Ten slotte zijn er enkele formele eisen die ik me bij voorbaat heb opgelegd. De meeste consequenties had mijn, op zich willekeurige, voorwaarde dat de vertaling niet meer regels mocht hebben dan het origineel. Dat betekent voor de vertaler van klassieke poëzie dat hij bijna altijd minder lettergrepen mag gebruiken dan het Latijn, dat door zijn gebruik van naamvallen meestal toch al korter van stof is. Nederlandse maten met meer dan twaalf lettergrepen horen niet te bestaan, maar Marietje d’Hane heeft voor de jambe met haar vloeiende Ovidius-vertaling in zevenvoeters het tegendeel bewezen. Maar wat voor Ovidius’ vertellingen heel goed kan, is voor light verse te lang. Een keuze voor een gelijk aantal regels leidt makkelijk tot overslaan en wringen. Hier oordele de lezer zelf. Maar ook het cabareteske karakter van de Priapea zou misschien beter tot zijn recht komen bij een vertaling in kortere, dat is noodgedwongen meer, regels, mits die niet gaat klapperen. Frans van Dooren en E.B. de Bruijn hebben daar in hun Martialis-vertalingen voor gekozen. Eén keer ben ik zelf naar mijn gevoel met korte regels toch nog aardig uitgekomen, in nr. 64, maar dat is uitzonderlijk.

Bijna alle vertalingen zijn in jamben. Ik had me niet bewust voorgenomen disticha (nr. 1, 55, 74) in zesvoetige jamben met afwisselend mannelijk en vrouwelijk rijm weer te geven en hinkjamben en elfvoeters (23, 52, 64) in vijfvoetige jamben, vaak met mannelijk rijm; maar ik merkte vanzelf dat dat gebeurde. De keuze om te rijmen is misschien de minst brave; die vond ik bij deze luchtige gedichtjes onvermijdelijk, ook om nog iets van de spitsheid en de frappe over te houden. Ik heb de mogelijkheden om soms, vaak of altijd te rijmen geprobeerd en was over de laatste het meest tevreden.

Ook hier heb ik geregeld mijn eigen regels gebroken: zo eindigt 55 wel degelijk met gepaard rijm; in 64 en ook elders heb ik alleen mannelijk gerijmd. Bij langere gedichten kan dat naar gelang je smaak flauw of grappig zijn. Meestal begin ik met een mogelijke vertaling van de beginregel, om daarna naar de clou te gaan; in gedichten met oneven regels komen aan het eind dan ook vaak drie rijmen; waar het rijm minder systematisch is, rijmen toch de twee laatste regels op elkaar (52).

Een moraal van het verhaal: ik heb in het bovenstaande een aantal keuzes expliciet geformuleerd, ook voor mijzelf. Eén ding blijkt daaruit in elk geval: hoeveel uiteenlopende vertalingen er mogelijk zijn door alleen al op deze punten andere wegen in te slaan. Zie dit onder ogen en lees dan deze selectie.

Priapea 1
Carminis incompti lusus lecture procaces,
Conveniens Latio pone supercilium.
Non soror hoc habitat Phoebi, non Vesta sacello,
Nee quae de patrio vertice nata dea est.
Sed ruber hortorum custos, membrosior aequo,
Qui tectum nullis vestibus inguen habet.
Aut igitur tunicam parti praetende tegendae,
Aut quibus hanc oculis aspicis, ista lege.

Priapea 23
Quicumque hic violam rosamve carpet
Furtivumque olus aut inempta poma,
Defectus pueroque feminaque
Hac tentigine quem videtis in me
Rumpatur, precor, usque mentulaque
Nequiquam sibi pulset umbilicum           

Priapea 52
Heus tu, non bene qui manum rapacem
Mandato mihi contines ab horto,
Iam primum stator hic libidinosus
Altemis et eundo et exeundo
Porta te fadet patentiorem.
Accedent duo, qui latus tuentur,
Pulchre pensilibus peculiati;
Qui cum te male foderint iacentem,
Ad pratum veniet salax asellus
Et nil deterius mutuniatus.
Quare, qui sapiet malum cavebit,
Cum tantum sciat esse mentularum.

Priapea 55
Credere quis possit? Falcem quoque ‒ turpe fateri ‒
De digitis fures subripuere meis.
Nee movet amissi tam me iactura pudorque,
Quam praebent iustos altera tela metus:
Quae si perdidero, patria mutabor, et olim
Ille tuus civis, Lampsace, Gallus ero.

Priapea 64
Quidam mollior anseris medulla
Furatum venit huc amore poenae:
Furetur licet usque, non videbo.

Priapea 74
Per medios ibit pueros mediasque puellas
Mentula, barbatis non nisi summa petet.

 

Priapea 1
Jij die mijn ongelikte poëzie gaat lezen,
mijn schaamteloze scherts, frons niet als een Romein.
Hier heeft niet Pallas, uit haar vaders hoofd verrezen,
of Vesta of Apollo’s zuster, haar domein.
Hier woont de rode tuingod, meer dan zwaargeschapen,
wiens kruis zelfs niet verhuld wordt door een lendedoek.
Ofwel bemantel dus zijn onverhulde wapen,
óf zie het onder ogen en lees dan dit boek.

Priapea 23
Wie hier mijn rozen of viooltjes uitrukt,
en gratis groente of gestolen fruit plukt,
ik wens dat die met net zo’n paal als ik,
beroofd van vrouw en vriend, van geilheid stikt,
terwijl zonder soelaas zijn stijve pik
onafgebroken in zijn navel prikt.

Priapea 52
Jij kunt je losse handen niet bedwingen
in deze tuin waar ik mee ben belast:
eerst zal mijn wulpse jongen van stavast
je in- en uitgang ritmisch binnendringen
en zo je toegangspoort wijd open dwingen.
Dan komt het stel dat aan mijn zijde staat,
hun zwengelende zakken zwaar van zaad,
en diept je grondig uit. De derde fase:
een geile ezel neemt je flink te grazen.
qua tamp al evenmin onder de maat.
Wees wijs en ga die diefstal niet vervullen,
nu je bedacht bent op zo’n stoet van lullen.

Priapea 55
’t Is ongehoord, nu hebben dieven uit mijn handen
(wat een vernedering!) mijn sikkel weggeroofd.
Mijn grootste vrees, na dit verlies en deze schande,
is wat dat voor mijn tweede wapen nog belooft.
Verlies ik dat, dan kan ik hier niet blijven wonen
en word van man uit Lampsacus tot Amazone.

Priapea 64
Als ganzedons zo licht, die nicht,
die steelt omdat mijn straf hem ligt.
Hij steelt maar, ’k knijp een oogje dicht.

Priapea 74
Bij knaap of meisje zoekt mijn lul het midden op,
volwassen mannen grijpt hij altijd bij de kop.